Oliver Laxe over Sirāt
‘Als filmmaker moet ik op de dood reflecteren’
Oliver Laxe
Voor de meest overweldigende filmtrip van het jaar doorkruiste de Spaanse regisseur Oliver Laxe de woestijn van Marokko. Zijn Sirāt is een existentialistische roadmovie over een vader die tot aan het einde van de wereld naar zijn vermiste dochter zoekt. “Sirāt is doordrenkt met het gevoel dat alles eindig is.”
In de woestijn van Marokko wordt een imposant geluidssysteem opgetuigd voor een illegale technorave. Tussen de ravers die zich in de dreunende techno verliezen, verschijnt een vader (Sergi López) met zijn zoontje (Bruno Núñez Arjona), met flyers in de hand, op zoek naar zijn vermiste dochter. De zoektocht drijft hen naar de volgende rave, nog dieper de woestijn in, waar Oliver Laxe’s indrukwekkende Sirāt de contouren krijgt van een existentiële roadmovie.
De manier waarop vader en zoon met een groep ravers door het weerbarstige landschap trekken en zich steeds verder van de beschaving begeven, deed me denken aan Herzogs Aguirre, der Zorn Gottes (1972) en Fitzcarraldo (1982). Ook in Sirāt dreigt de mens de strijd met de wereld om zich heen te verliezen. In Sirāt is het alleen niet de jungle, maar de uitgestrekte leegte van de woestijn die de personages met zichzelf confronteert.
Laxe filmde eerder in de Marokkaanse woestijn voor Mimosas (2016), die de regisseur een “religieuze western” noemt. Als dat zijn proefschrift was, dan is Sirāt misschien wel zijn eerste meesterwerk. De film werd in Cannes bekroond met de Juryprijs en maakt inmiddels kans op de Oscar voor beste niet-Engelstalige film. Na de wereldpremière van Sirāt sprak Laxe in Cannes over zijn fascinatie voor de dood en de manier waarop die zijn unieke filmtaal beïnvloedt.
Met Sirāt keer je terug naar het woestijngebied dat je in Mimosas filmde. Wat drijft je om zulke uitdagende locaties op te zoeken? “Ik ga graag tot het uiterste. Sirāt verbeeldt mijn visie op wat het betekent om te leven en de manieren waarop de mens een constante dialoog met leven en dood aangaat. Voor mij staat het leven in het teken van nieuwe dingen leren – het is één grote test. En een film als deze maken is een kans om jezelf beter te leren kennen en door te groeien. Kijk maar wat er in Sirāt met de personages gebeurt: leven en dood kloppen bij hen aan, wat leidt tot tragedie. Met genoeg afstand kun je zien dat dit iets goeds is.”
Ik zie die fascinatie met dood en vernietiging terug in bijna al jouw films. “Uiteindelijk is bewustzijn van de dood wat ons mens maakt. We leven echter in een nogal thanatofobe samenleving, waarin het concept van de dood steeds verder weg wordt geduwd. Maar als mens, en als filmmaker, moet ik op de dood reflecteren. Het is gezond om de dood niet als een einde te zien, maar als een oversteek naar iets anders. De dood omarmen maakt het mogelijk om met meer helderheid over het leven te spreken.”

Welke symbolische betekenis heeft de woestijn voor jou? “Al mijn films zijn in de eerste plaats een overgangsritueel voor mijzelf. Mijn creatieve proces is ook een proces van zelfontdekking. Daarbij nodig ik het publiek uit om deel te nemen aan dat ritueel. Hier in Cannes begrijp ik dat mijn film als een cinematografische ceremonie werkt. De wijze waarop Sirāt vloeit, maakt iets los in toeschouwers – er begint iets in hen te vibreren. We weten niet precies waarom dat gebeurt en wat het betekent. Al hoop ik dat die unieke ervaring haar eigen diepere functie heeft. Dat is in elk geval mijn intentie.”
Ik neem aan dat filmen op deze locaties intens was. Wat waren de grootste uitdagingen op de set? “Op een dag blies een zandstorm over ons heen, waardoor het merendeel van het materiaal, waaronder de cameralenzen, kapot ging. We moesten daardoor ontzettend veel shots opnieuw draaien. De lastigste draaidag was echter voor een belangrijke scène boven op een berg, waar iets tragisch gebeurt dat ik niet wil verklappen. Die scène vergde uiterste focus, omdat we veel gebruik moesten maken van greenscreens. Tegelijkertijd hadden we geen uitgestippeld plan voor hoe we wilden draaien. Op de dag zelf moesten we nog uitvogelen hoe we dit filmisch konden vormgeven en hoe we de impact van die scène binnen de film konden interpreteren.”
De soundtrack wordt gedomineerd door rauwe techno. Wat is jouw relatie met die muziek? “De techno in de film heeft sterke tribale invloeden. Het is moderne muziek, maar tegelijk ook nauw verbonden met traditie en de oertijd. Als mens ervaar ik een constante strijd tussen traditie en moderniteit in mijn lichaam. Daarom waardeer ik deze gemeenschap van ravers zo. Soms lijken ze op een Peter Pan die niet wil opgroeien, maar zijn we dat niet allemaal een beetje? Iedereen wil tot op zekere hoogte aan zichzelf ontsnappen.”
Voor componist en technoproducer David Letellier, bekend als Kangding Ray, betekende Sirāt zijn eerste grote score. Hoe was die samenwerking? “Ik heb een casting onder muzikanten gedaan en hij bleek gewoon perfect. Sommige van zijn albums dragen veel woede in zich. In mij zit ook veel woede. Die heb je ook nodig, want ik zie een kunstenaar als iemand die zich tussen een terrorist en een heilige bevindt. Het plan voor die pompende score was om te beginnen met stevige, dreunende kickdrums die de woede opschroeven. Geleidelijk nodigt de muziek ons echter uit op een meer transcendente en esoterische trip. De score wordt etherischer en begint te dematerialiseren. Die ontbinding drukt zich ook uit in het landschap, waar we uiteindelijk in een totaal abstracte woestijn belanden. Daar wordt de mens van alles ontdaan. Hij staat er volledig naakt, enkel nog in staat om op te kijken naar het dak van de hemel.”
Die ontbinding sluit goed aan bij het apocalyptische decor van de film, waarin de Derde Wereldoorlog op de achtergrond lijkt te woeden. Waar komt dit onheilszwangere scenario vandaan? “Zoals in de film wordt gezegd: ‘We leven al heel lang aan het einde van de wereld.’ Daardoor is Sirāt doordrenkt met het gevoel dat alles eindig is. Misschien is dat nog een reden waarom ik zo van die rave-cultuur houd. Die ravers staan tenminste in verbinding met tradities, terwijl ze de verandering ook omarmen. En om eerlijk te zijn: er moet iets in de wereld veranderen. De mensheid is niet in staat om zichzelf te veranderen. Dat is te moeilijk voor ons. Dus iets in het leven zelf moet veranderen, zodat wij mee kunnen groeien. Daarvoor moet iets radicaal breken.”
Een onconventionele roadmovie als Sirāt is alsnog geworteld in grote filmtradities. Ik denk aan het werk van Werner Herzog. Hoe nauw sta je in contact met het heden en verleden van de filmcultuur in de wijze waarop je je eigen films benadert? “Wat ik mooi vind aan film is de balans tussen intellectualisme en populisme. Cinema maakt het mogelijk om diepere, transcendente fenomenen op een brede manier uit te drukken. Daarom vind ik dat je als kunstenaar gul naar je publiek moet zijn. Je mag natuurlijk niet tegen jezelf liegen, maar je moet wél naast de toeschouwer staan. Je moet ze iets geven waarin ze mee kunnen, zodat je vervolgens andere wegen in kunt slaan. Als filmmaker heb ik de taak om beelden te creëren. Ik zie een filmbeeld als iets magisch en vreemds, dat op een onbeschrijfelijke manier een lijf binnendringt. Daarom zoek ik de balans op tussen conventioneel en experimenteel, verhaal en abstractie, en tussen realisme en poëzie. Ik ben altijd op zoek naar de beelden die nog dieper kunnen doordringen in de psyche van de toeschouwer.”
Sirāt draait vanaf 19 februari 2026 in de bioscoop.