Ken Loach over Jimmy’s Hall

'Links heeft de betere dansers'

  • Datum 03-07-2014
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Ken Loach op de set van Jimmy’s Hall

Waargebeurd, dit verhaal over een soos die in het Ierland van de jaren twintig een nationale rel werd. De oprichter, Jimmy Gralton, werd door de kerk en de zittende macht gezien als Satans plaats­vervanger op aarde. Logisch, want Gralton was een communist. Ken Loach verfilmde het verhaal en was te gast in Cannes, bastion van de superrijken.

Door Ronald Rovers

Hoe zeg je dat in het Nederlands, dance hall? Een soos? Een dansgelegenheid? De Ierse communist Jimmy Gralton bouwde eind jaren twintig zo’n soos in het graafschap Leitrim en kreeg meteen de katholieke kerk op z’n dak. De Pearse-Connolly Hall heette die voluit, vernoemd naar Patrick Pearse en James Connolly, twee leiders van het Ierse verzet dat in 1916 in opstand kwam tegen de Britse overheersing, en die allebei geëxecuteerd werden. De reden van al die angst voor zoiets onschuldigs als een dance hall: het zou een broeinest van communistisch verzet zijn en een plek van goddeloze danspasjes en ontoelaatbaar geglimlach tussen de seksen. En wat doe je dan als religieus instituut dat strijdt voor onze verlossing van het kwade amen? De fik erin. Ken Loach (1936), onvermoeibaar strijder tegen alles wat van rechts komt, zag er de perfecte aanleiding voor een verhaal in. We spraken hem ter gelegenheid van de première van zijn film in Cannes.

Dus links heeft de betere dansers? "Ja, ik geloof het wel. Ze hebben de betere muziek, dat zeker. En de beste grappen."

Het verhaal speelt zich tien jaar na The Wind That Shakes the Barley af, de film waarmee u in 2006 een Gouden Palm won. Waarom ging u terug naar die periode in de Ierse geschiedenis? "De eenvoud van het verhaal: het idee van die dance hall als een veilige ruimte waar mensen zichzelf konden zijn en de vraag waarom de machthebbers dat als een bedreiging zagen. Het was tien jaar na de onafhankelijkheidsoorlog interessant om te laten zien wat er van het land geworden was. Van de idealen die men meteen na die oorlog had, was weinig terechtgekomen. Een van de vrouwen in de film zegt ‘de grootgrondbezitters en de kerk, de collaborateurs uit het verleden, hebben het nog steeds voor het zeggen.’"

Is het verhaal over die dance hall nog steeds relevant? "Terwijl wij hier zitten zijn tweehonderd jonge meiden ontvoerd in Nigeria, omdat ze onderwijs willen. Er is het Pakistaanse meisje dat in het hoofd geschoten werd omdat ze op school zat. De kunstenaar Ai Weiwei in China die vervolgd wordt voor zijn kritiek op het regime, het vervolgen van Chelsea Manning in de VS omdat hij de martelpraktijken van het Amerikaanse leger naar buiten bracht. Dat willen beheersen van onderwijs en dus van zelfstandig denken bestaat nog steeds, nog steeds wil men dissidenten en vrijdenkers onderdrukken. Ook het tijdperk vertoont gelijkenissen met het onze: In Ierland hadden we in 1928 de economische crash, massawerkloosheid, depressie en vervolgens de opkomst van extreem rechts. Genoeg overeenkomsten met nu."

In The Spirit of ’45 had u het ook al over een natuurlijke impuls van mensen om samen te werken en niet in de valkuilen van strikte ideologieën te trappen. Ziet u parallellen met Jimmy’s Hall? "Veel ideeën die in Jimmy’s Hall worden uitgesproken kwamen direct na de Tweede Wereldoorlog tot bloei in Groot-Brittannië. Zoals het publieke bezit van grote industrieën en nutsvoorzieningen. Ideeën die in de jaren twintig en dertig tot ontwikkeling kwamen. Het gaat er nu om die ideeën weer eigentijds en modern te maken."

Maken uw films een verschil in het publieke debat? "Nauwelijks. Nee. Het publieke debat wordt bepaald door de grote kranten, politici en de nationale zenders. Voor andere is het lastig om er tussen te komen. Maar ik grijp de kansen die ik krijg. Deze film is een gelegenheid om een gesprek met het publiek te voeren. Maar het is slechts een fractie van het openbare debat. De kranten staan vol met nieuws over rechts. Ik snap dat wel. Hun ideeën zijn makkelijker te begrijpen en klinken sensationeler. Voor links is het moeilijker want dan moet je uitleggen waarom het economische systeem onrecht en ongelijkheid produceert. Dat is lastiger te begrijpen dan het rechtse geroep dat de immigranten het allemaal gedaan hebben."

Neem die dance hall. Was die politiek vanaf het begin of werd het politiek? "Die hall was opgezet door mensen die zeer politiek gemotiveerd waren. Als een alternatief voor de kerk, want die bepaalde de publieke ruimtes. Men zocht een plek waar de priester niet vertelde hoe men zich moest gedragen. Dat was voor ons ook het aantrekkelijke van dit verhaal: dat mensen iets voor zichzelf probeerden te doen, buiten bereik van de lange arm van de macht."

Onder het mom van entertainment. "Jimmy Gralton was een slimme vent. Hij zag dans als een expressie van vrijheid en een bevrijde geest. Die muziek was in die tijd behoorlijk subversief, moet je bedenken. Dansen was in die zin politiek. Mensen waren niet naïef, ze wisten dat de kerk dit zou veroordelen. Dus dansen was ook een vorm van protest. Er is in die tijd door het hele land een grote anti-jazzcampagne gevoerd door de kerk."

Dit is uw veertiende film in Cannes. Wat valt op als u deze vergelijkt met uw eerste films? "Veel hangt van de schrijvers af, want daar werk ik intensief mee samen. Riff Raff uit ’91 van de jonggestorven Bill Jesse was simpel van opzet. Jim Allen, die Land and Freedom en Raining Stones schreef, was sterk politiek gemotiveerd en had een goed gevoel voor komedie. Terwijl Paul Laverty, waar ik inmiddels een hele tijd mee werk, vooral interesse heeft voor de complexiteit van personages. En ik probeerde natuurlijk sowieso beter te worden in wat ik deed. Als je jonger bent hebben de dingen die je doet misschien een grotere gedrevenheid, maar zijn ze ook minder geraffineerd."

U wordt nooit moe van die politiek? "Niet echt. Omdat ik de hele tijd mensen tegenkom die heel erg betrokken zijn en die ergens voor vechten. Bij het voorkomen van de sloop van een ziekenhuis of het openhouden van een bibliotheek of het organiseren van een staking. Heel optimistisch, vol leven. Dat inspireert mij. Het zijn de mensen die me energie geven."

Verbaast u er zich niet over dat links niet groter tevoorschijn is gekomen uit de crisis? "Dat is een belangrijk punt. We hebben inderdaad altijd geroepen dat wanneer de crisis van het kapitalisme zich zou aandienen, links sterker zou worden. Maar dat is niet gebeurd. Net als eind jaren twintig en dertig is het rechts dat profiteert van de crisis. De vraag is: hoe kan dat? Veel linkse politici kunnen best een goed verhaal vertellen, maar er is nauwelijks media-aandacht voor. In de media zie je vooral rechts aan bod komen."

Dus de Rupert Murdochs zijn verantwoordelijk, meer dan de David Camerons? "Dat denk ik wel ja. Plus: rechts is simpel. Dat zegt: je bent immigrant, je hebt mijn baan afgepakt en nu wegwezen. Links moet uitleggen dat kapitalisme altijd werkeloosheid zal produceren, dat het altijd een agressief buitenlands beleid zal voeren en dat het altijd lonen zal verlagen. Dat is een veel ingewikkelder verhaal."

Hoe ziet u dan het communisme waarmee decennialang mensen in Oost-Europa en China onderdrukt werden? "Jimmy Gralton was een communist voordat Stalin aan de macht kwam, dus dat was niet zijn ideologie. Het was ook belangrijk dat we de priester een paar goeie argumenten tegen het communisme gaven. Want Gralton heeft geen antwoord op de gevangenenkampen van Stalin. Kijk, Land and Freedom ging over de Spaanse burgeroorlog, waar de communisten overheerst werden door de Sovjet-Unie. Dus ik ben me zeker bewust van die onderdrukkende kanten. Ik ben opgegroeid met anti-communistische sentimenten. Ik herinner me nog een slogan uit die tijd: ‘Geen Washington en geen Moskou.’ Maar Jimmy’s Hall speelt in Ierland. Gralton stond een ander communisme voor ogen."

Voelt u een band met jongere Britse filmmakers zoals Clio Barnard en Andrea Arnold, die ook niet bang zijn om hun werk politiek te maken? "Zeker, er zijn veel goeie jonge makers. Ze zien politiek wel anders, is mijn indruk. Toen ik opgroeide in de jaren veertig, vijftig en zestig hadden mensen veel respect voor politieke theorie. Er bestond zoiets als een rots van politieke analyse. Je las de boeken, je discussieerde erover en je absorbeerde de theorie. Ik denk dat dat verdwenen is. Jonge filmmakers en schrijvers en activisten willen het milieu beschermen, de walvissen redden, bibliotheken voor iedereen en rechten voor arbeiders, dat allemaal tegelijk. Wat ontbreekt is een politieke analyse die al die dingen met elkaar verbindt. Maar goed, het is een andere generatie. En een andere tijd."