FilmPers – 30 juni 2011

  • Datum 30-06-2011
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Post mortem

Post Mortem
Pablo Larraín
De regisseur neemt de tijd voor zijn shots en gebruikt strak gestileerde composities, met vervreemdend en vaak ook komisch effect. Terwijl de slachtoffers van de rechtse coup zich opstapelen in het mortuarium en Mario moet assisteren bij een cruciale autopsie, laat hij ook deze gruwelen onaangedaan van zich afglijden.
De Telegraaf (Marco Weijers)

In lange scènes, gefilmd met een statische camera, schetst Larraín een grimmig beeld van een samenleving die overhoop ligt met zichzelf. De als een zeer vermoeide Al Pacino ogende acteur Alfredo Castro maakt na de titelrol in Tony Manero opnieuw veel indruk als Mario, een zwijgzame figuur die maar een klein zetje nodig blijkt te hebben om over te gaan tot een wandaad.
Het Parool (Fritz de Jong)

Mario gaat uitdrukkingsloos door het leven. Hij doet keurig zijn werk en leeft pas een beetje op als hij zijn buurvrouw Nancy ziet, een wat verlopen nachtclubdanseres. In een prachtige scène zitten ze aan tafel en barsten om onverklaarbare reden na het eten beiden in huilen uit. De camera beweegt niet, zoals wel vaker in de film, en het beeld blijft minutenlang staan, net zoals bij het zeven minuten durende slotbeeld van Post Mortem, wat opnieuw een ijzingwekkende scène is.
NRC Handelsblad (André Waardenburg)

Club Zeus
David Verbeek
Club Zeus is de ultieme neoliberale nachtmerrie, waarin liefde — niet lust, echte liefde — een consumptieartikel is. Een toneelspel waarin de host de altijd luisterende, attente, glad gekapte en geklede supervriend speelt. Een spel dat van zijn kant niet liefdeloos is: hoe meer empathie hij in zijn werk legt, hoe beter hij zijn klanten bespeelt. Zo wordt elke emotie verdacht: eindstation is narcisme, cynisme en eenzaamheid.
NRC Handelsblad (Coen van Zwol)

David Verbeek slaagde er in tien dagen in om met een jonge Chinese cast en crew een aardige film te maken over gigolo’s in een metropool. Ze worden ‘hostboys’ genoemd, jongens die rijke vrouwen entertainen in een club. De vrouwen laten de de champagne rijkelijk vloeien en vermaken zich met de jonge jongens, die een percentage van de omzet krijgen. (…) Mooie beelden van Shanghai en een broeierige sfeer maken van Club Zeus een bijzondere, zij het tikje trage arthousefilm.
De Telegraaf (Annet de Jong)

Interessant hoe Verbeek zichzelf de stijl van de Taiwanese maestro’s Tsai Ming-liang en Hou Hsiao-hsien aanleerde. Probleem is wel dat er al een uitstekende documentaire in omloop is, die hetzelfde fenomeen belicht in Japan: The great Happiness Space: Tale of an Osaka Love Thief (2006), vorig jaar door de VPRO uitgezonden onder de titel Toy-Boys in Osaka. Vergeleken bij dat levendige document blijft het gestileerde minidrama van de Nederlandse Azië-ganger wat op afstand.
Trouw (Belinda van de Graaf)

The Tree of Life
Terrence Malick
Met de oogstrelende film zet Malick hoog in, maar na het magistrale eerste uur valt hij meer dan eens in herhaling, om met het slotakkoord boven zijn macht te grijpen. De apotheose is ongetwijfeld een troostende geste aan alle nabestaanden sinds de oerknal, ambivalent uitgewerkt om niemand buiten te sluiten, maar bij ondergetekende aan dovemansoren gericht. Grote filmkunst wordt nooit gemaakt om alle gezindten te behagen.
Het Parool/GPD-kranten (Bart van der Put)

The Tree of Life, bekroond met de Gouden Palm in Cannes, is een tegendraads meesterwerk. Malick roept vaak weerstand op, vooral tegen het einde, wanneer zijn beelden steeds sterker naar kitsch neigen (handen die elkaar raken, deuren die openen naar het licht) en de religieuze symboliek er dik bovenop ligt. En toch haalt de film alle mogelijke bedenkingen ook weer onderuit. Door de wonderbaarlijke montage, de prachtige muziekkeuze en het ongelooflijk precieze, lyrische camerawerk. Maar vooral door de ontroering, die zonder pardon toeslaat.
de Volkskrant (Pauline Kleijer)

Verhaaltechnisch stelt The Tree of Life niet zoveel voor, maar de verpakking van Malick is intrigerend en overdonderend. Gebruikmakend van een visuele rijkdom die doet denken aan het begin van 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick, belicht Malick tussen neus en lippen door het ontstaan van de wereld, de evolutie en het heelal. (…) Niet alles is zonneklaar, maar het levert wel betoverende beelden op, die het best tot hun recht komen op een zo groot mogelijk filmdoek.
Algemeen Dagblad (Ab Zagt)

The Trip
Michael Winterbottom
Terloops stelt The Trip kwesties aan de orde als omgaan met roem, jaloezie en ouder worden (‘Ik zeg al drie jaar dat ik 41 ben.’). Dat de film de indruk wekt dat Coogan en Brydon alles even losjes uit hun mouw schudden, en dat Michael Winterbottom toevallig in de buurt was om het allemaal even vast te leggen, bewijst dat de heren ook voortreffelijke oplichters zijn. Het hilarische The Trip getuigt van op de millimeter nauwkeurig, briljant vakmanschap.
Het Parool (Jos van der Burg)

 

De mannen zijn heerlijk onderkoeld Brits gezelschap. Ze zingen Kate Bush (wi-hindy moors) en raken ontroerd bij de gedachte aan Abba (The winner takes it all). (…) Het tweetal weet nauwelijks waarom ze met elkaar onderweg zijn en werkt elkaar op de zenuwen, maar schittert in de typische roadmovie dwaaldialoog waarin je van de soep in de dood belandt. Ze vermaken elkaar (en ons) met imitaties van filmsterren; Brydons Michael Caine is indrukwekkend. Geweldige scènes: briljant, geestig en treurig.
Trouw (Jann Ruyters)

Samen hebben ze veel pret, mooie gesprekken en ze proberen elkaar de loef af te spreken met imitaties van bekende acteurs als Michael Caine, Sean Connery en Anthony Hopkins. Twee goeie acteurs, goeie gesprekken en mooie maaltijden. En daar mag je bij aanwezig zijn. Nee, een documentaire is het niet. Je mag dit gerust een speelfilm noemen: de dialogen zijn uitgeschreven en niet geïmproviseerd en de camera staat rustig op een statief. The Trip is een welbestede avond in de bioscoop.
De Telegraaf (Dick van den Heuvel)

La Nana
Sebastián Silva
Het zijn de vele kleine schakeringen die van het simpel opgezette huis-, tuin- en keuken-drama in La Nana een rijke en complexe satire maken. Niet enkel van alledaags Latijns-Amerikaans klassenverschil, maar ook van het moderne gezinsleven: de desinteresse van de met zijn modelbootjes prutsende vader, de moeder die betrokkenheid veinst, maar onderwijl geen arm uitsteekt. En de kinderen die Raquel ooit liefdevol hielp grootbrengen zijn dat op latere leeftijd al lang weer vergeten. Inwisselbaar was ze, nooit een echt gezinslid.
de Volkskrant (Bor Beekman)

La Nana graaft diep in de de onwelriekende humuslaag van klassenmaatschappij en informele economie. (…) La Nana is een intelligente film over arbeid en meester-slaafverhoudingen, en soms een tragikomisch portret van een valse hond, die zo vaak vernederd, geschopt en geslagen is dat je hem niet eens meer wilt aaien. Het gezicht van actrice Catalina Saavedra is het lang ondoordringbare scherm waar al die emoties en overwegingen op afketsen.
NRC Handelsblad (Dana Linssen)

Raquel is een deel van de familie. Op gepaste afstand: ze blijft personeel, al heeft ze in de afgelopen twintig jaar de kinderen zien opgroeien. Ze houden van me, zegt Raquel graag. Maar is dat zo? Haar positie maakt haar onzeker en afstandelijk. (…) Er ontstaat (al te) onverwacht een diepe vriendschap die heilzaam werkt. Misschien wordt de sombere hulp nog eens het zonnetje in huis. Mooie ontwikkeling, als is het nogal dunnetjes om een interessante film op te bouwen.
De Telegraaf (Eric Koch)

Geschreven door