Boeken: Conversations with Kiarostami

Uit het leven gegrepen

Waar staat het huis van mijn vriend?

In een reeks intieme interviews geeft de in 2016 overleden filmmaker Abbas Kiarostami een intrigerend inkijkje in de eerste dertig jaar van zijn rijke carrière.

“Ik denk dat men vergeten is dat films het leven horen te verbeelden”, stelt de Iraanse filmmaker Abbas Kiarostami ergens in Conversations with Kiarostami van Godfrey Cheshire. Als de in het boek verzamelde interviews met Kiarostami iets duidelijk maken, is dat hij zelf dat zeker niet is vergeten. “Ik ben intelligent genoeg om verhalen te vermijden die te onwaarschijnlijk zijn.”

Dat slaat niet alleen op Kiarostami’s werkwijze, met films die grotendeels worden bevolkt door niet-professionele acteurs en waarbij het toeval van wat tijdens de opnames kan ontstaan ruim baan krijgt. Uit de intieme gesprekken wordt herhaaldelijk duidelijk dat de in 2016 overleden Kiarostami ook de uitgangspunten voor zijn verhalen direct uit zijn eigen leven trok. Uit dingen die hij zelf meemaakte – het uiteenvallen van zijn eigen huwelijk ging in de late jaren zeventig min of meer gelijk op met de Islamitische Revolutie in zijn land, en de combinatie van die twee leidde direct tot The Report, zijn eerste ‘volwassen’ speelfilm.

Ook anekdotes van vrienden werden verwerkt in zijn films, en bovenal zijn observaties van zijn zoons Ahmad en Bahman in hun jonge jaren. Waar staat het huis van mijn vriend? (Khane-ye doust kodjast?, 1987) ontwikkelde hij bijvoorbeeld vanuit het enorme verantwoordelijkheidsgevoel dat hij zag in zijn jongste zoon Bahman. Beide zoons spelen dan ook belangrijke rollen in het boek. Ahmad, die zelf ook filmmaker werd en zijn vaders laatste film 24 Frames (2017) na diens overlijden voltooide, schreef een lovend voorwoord. En Bahman wordt in de gesprekken enkele keren opgevoerd als stille getuige. Hij was negentien jaar toen Cheshire en Kiarostami elkaar in de late jaren negentig spraken. Het grootste deel van de niet eerder gepubliceerde interviews vond plaats in 1998, bij Kiarostami thuis en tijdens een road trip naar de regio Koker, waar de regisseur zijn drie beroemdste films maakte.

Vrouwen
In zijn introductie verdeelt Cheshire de carrière van Kiarostami in drie fases van elk zo’n vijftien jaar. Fase 1 wordt gevormd door de jeugdfilms van de regisseur in zijn tijd bij het instituut voor jongerenontwikkeling Kanoon maakte, fase 2 zijn internationaal erkende meesterwerken en fase 3 de meer experimentele films die hij in de nadagen van zijn carrière maakte.

Het boek, met interviews over vrijwel al Kiarostami’s films – van zijn korte debuut The Bread and Alley (Nan va Koutcheh, 1970) tot aan De wind zal ons meenemen (Bad ma ra khahad bord, 1999), beslaat de eerste twee van die drie fases. De gesprekken staan bomvol interessante observaties, bijvoorbeeld over het werken met kinderen (waar Kiarostami een expert in was), over het belang van het juiste accent (wat voor een internationaal publiek uiteraard veel minder hoorbaar is) en de grote rol van geluid (tegen zijn crew zei Kiarostami vaak: “Vandaag maken we geluidsopnamen, maar neem ook maar een camera mee”).

In hoe Kiarostami in die interviews spreekt over zijn eerdere films en over cinema in het algemeen, zijn ook al vele vooruitwijzingen naar de latere, meer onderzoekende films te vinden. De regisseur beschrijft hoe hij Waar staat het huis van mijn vriend? vertoonde in het kleine dorpje waar de film werd opgenomen, en hoe hij daarbij de gezichten filmde van de dorpelingen die zichzelf op het scherm terugzagen. Dat brengt onherroepelijk zijn latere film Shirin (2008) in gedachten, waarin hij de gezichten van tientallen befaamde Iraanse actrices (en Juliette Binoche) filmde terwijl die kijken naar een theateropvoering van een twaalfde-eeuws Perzisch gedicht.

Elders bespreekt Kiarostami de relatieve afwezigheid van vrouwen in zijn films tot dan toe. Dat komt, zo legt hij uit, omdat hij weigert vrouwen in de rolpatronen te wringen die het Iraanse regime, impliciet of expliciet, vereiste – de bejubelde moeder, het beschimpte lustobject. In het buitenland is het overigens niet veel beter, observeert hij. “In veel films spelen vrouwen slechts een decoratieve rol. Het is zeldzaam dat vrouwen in films gewoon als mensen worden getoond. Dat is mijn ideaal.”

Dat ideaal werd direct in zijn eerstvolgende film Ten (Dah, 2002) de basis voor een verhaal dat expliciet de rol van vrouwen in de (Iraanse) maatschappij onderzocht. Dat onderwerp bleef nadrukkelijk aanwezig in zijn late werk, van de tientallen kijkende vrouwen in Shirin tot opnieuw Binoche in Copie conforme (2010) en het inkijkje in het leven van een Japanse prostituee in Like Someone in Love (2012). Zo zou je een alternatieve driedeling in Kiarostami’s oeuvre kunnen maken: eerst filmt hij kinderen, dan mannen, dan vrouwen.

Nieuwsgierig
Kiarostami’s relatie tot de politiek in zijn land levert een aantal keren een interessante wrijving op in de gesprekken. Wanneer Cheshire te expliciet naar dingen vraagt, kapt Kiarostami het resoluut af. Want sommige dingen kunnen nu eenmaal niet expliciet gezegd worden, maar moeten tussen de regels door, zoals Kiarostami dat in zijn films ook altijd zo vakkundig deed. “Ik weiger kritische of politieke films te maken”, zegt hij in de interviews. “Maar tegelijkertijd denk ik dat er geen film bestaat die niet kritisch of politiek is.”

Kiarostami maakt films over mensen, benadrukt hij herhaaldelijk, en niet over ideologieën of beleid. Maar, zo stelt hij ook: “De mensen over wie ik het heb, staan niet los van hun sociale realiteit.” Een mening daarover zal Kiarostami niet snel opdringen. Niet omdat hij geen mening heeft, maar omdat hij wil dat de kijker er op een andere manier komt. “Mijn vertelstijl draait erom de kijker nieuwsgierig te maken”, zegt hij. “Vervolgens geef ik stukje bij beetje meer informatie. De enige manier waarop ik de toeschouwer mee kan voeren is door nieuwsgierigheid.”


Conversations woth Kiarostami, Godfrey Cheshire | 2019, Woodville Press, New York | 188 pagina’s | $18