Two Boxes: Televized Terror in Franco’s Spain

Beter kijken dan de censors

Datum
01-07-2026
Auteur
Verschenen in
Regie
Antonio Mercero
Te zien vanaf
20-07-2026
Land
Spanje, 1972

El televisor

Tijdens het schrikbewind van Francisco Franco bespelen Spaanse filmmakers op vindingrijke wijze de strenge censuurcommissie. Een blu-ray-box met twee cultklassiekers opent een venster naar die fascinerende periode.

In tijden van strenge censuur ontstaan de meest wonderlijke kunststromingen. In het Spanje onder de fascistische dictator Francisco Franco worden filmmakers van 1939 tot 1975 door de vele restricties gedwongen tot creativiteit. Verwijzingen naar wraak, zelfdoding en anticonceptie zijn verboden. Evenals kritiek op de Katholieke Kerk. Buitenlandse films worden in deze periode gedubd, zodat mogelijk ‘subversieve’ boodschappen eruit kunnen worden gefilterd.

In die tijd werkt in Spanje een groep jonge cineasten aan een soort nieuwe geheimtaal. Een taal die hen in staat stelt om maatschappijkritiek op verhulde wijze in hun films te verwerken. In de hoop dat die kritiek onopgemerkt blijft of getolereerd wordt door de censors.

Luis García Berlanga is een van de eerste filmmakers die het bespelen van de censuurcommissie beschouwt als een tak van sport. Hoewel censors zijn werk flink onder handen nemen, lijden geëngageerde films als ¡Bienvenido, Mister Marshall! (1953) en El verdugo (1963) daar nauwelijks onder. Daarin speelt ook Berlanga’s populariteit in het buitenland mee: ondanks het feit dat Franco vanwege Berlanga’s sympathieën voor het communisme een grote aversie tegen hem heeft, durven de autoriteiten hem niet te hard aan te pakken.

Visuele metaforen spelen een belangrijke rol in deze films. Zie bijvoorbeeld La caza (1966) van Berlanga’s generatiegenoot Carlos Saura, waarin een groteske jachtpartij fungeert als een spiegel voor het genadeloze staatsgeweld, de minachting voor de eigen bevolking en de naargeestige staat van het land.

Muerte de un ciclista

Fantaterror
In Muerte de un ciclista (1955), een film noir met een sociaal-realistische component, toont filmmaker Juan Antonio Bardem – de oom van acteur Javier Bardem – twee lieden uit de gegoede klasse, een rijke vrouw en een professor die een affaire hebben. In de broeierige openingsscène is te zien hoe ze na het aanrijden van een fietser aan één blik genoeg hebben om direct weer in de auto te stappen en weg te rijden.

De vrouw, die achter het stuur zit, kijkt verbeten naar de horizon terwijl de man nog een laatste blik achterom werpt. Hun comfortabele levens en het geheimhouden van hun affaire stellen ze zonder gewetenswroeging boven het lot van de fietser. Een bijtend commentaar op de hypocrisie van de Spaanse bovenklasse.

Naast deze maatschappijkritische drama’s ontstaat er vanaf het begin van de jaren zestig in Spanje ook ruimte voor genrecinema. In die tijd wordt Franco door economische tegenslagen gedwongen tot hervormingen die Spanje een meer open karakter moeten geven. Zo hoopt hij met het stimuleren van toerisme de reputatie van zijn land op te vijzelen. In de filmwereld leidt deze glasnost tot meer internationale coproducties.

Zo slaat Jesús Franco (geen familie van de dictator) steeds vaker de handen ineen met Franse en Italiaanse filmstudio’s. De Spanjaard, die zich in 1969 in Parijs vestigt, rebelleert met zijn subversieve werk, vol perverse hallucinaties en homoseksuele personages, tegen de rigide Spaanse katholieke moraal. Overigens past Jesús Franco in veel gevallen zelfcensuur toe en wordt er door de censors ook hevig in zijn films geknipt.

Francisco Franco’s hervormingen luidden het gouden tijdperk van de Spaanse horror in. Een periode die duurt van 1961 tot ruwweg 1987. De films uit deze tijd worden geschaard onder de noemer Fantaterror, een verbastering van fantasie (fantástico) en horror (terror). Filmmakers gebruiken ambigue symboliek en innovatieve vertelvormen om progressieve idealen voor het voetlicht te brengen. Anti-autoritaire betogen waarin wordt gepleit voor een socialistische samenleving zijn verkleed als ogenschijnlijk onschuldige horrorfilms over bovennatuurlijke monsters.

Zie bijvoorbeeld La noche del terror ciego (1972) van Amando de Ossorio, over een bende gewelddadige tempeliers die ’s nachts hun graftombes verlaten en als zombies op zoek gaan naar vers bloed. Het is overduidelijk dat Ossorio deze ridders neerzet als incarnaties van het kwaad. Veel generaals onder Franco beschouwden zich opvallend genoeg als de moderne tempeliers. De strijd tegen de republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) was in hun ogen een voorzetting van de Reconquista in de middeleeuwen – een heilige oorlog tegen de (communistische) ongelovigen.

La cabina

Rode telefooncel
Ook andere filmmakers verzinnen foefjes om de censors te ontlopen. Zie bijvoorbeeld La marca del Hombre Lobo (1968) en La furia del Hombre Lobo (1972), waarin Paul Naschy, die wel de koning van de Spaanse horror wordt genoemd, gestalte geeft aan de Poolse edelman Waldemar Daninsky.

De Spaanse acteur breekt eind jaren zestig door in een reeks films die op het eerste gezicht geen link hebben met het Spanje van toen. De eerstgenoemde film is gesitueerd in Tibet. Dat het destijds verboden was om een Spaanse antagonist met bovennatuurlijke krachten te presenteren, verklaart de Poolse komaf van Naschy’s personage. Maar onder die dekmantels leveren de films wel degelijk verkapte kritiek op de dictatuur van Franco.

Vanaf het einde van de jaren zestig ontstaat er een subgenre van Fantaterror die de horror in het dagelijks leven onder de Spaanse dictatuur belicht. Twee van deze psychologische horrorfilms, La cabina (1972) en El televisor (1974), zijn door distributeur Radiance uitgebracht in een blu-ray-box. Beide films werden destijds gemaakt voor televisie en trekken in de jaren erna ook buiten de Spaanse landsgrenzen aandacht. Zo vergaart La cabina grote populariteit onder Britse fans nadat de film in 1981 op de late avond wordt uitgezonden door de BBC.

Saillant is dat deze film, die draait om een man die opgesloten raakt in een rode telefooncel, werd gefinancierd door de Spaanse staat. Zou de ambtenaar die een cheque uitschreef aan filmmaker Antonio Mercero niet hebben gezien dat het script zinspeelt op een land waar criticasters van het bewind spontaan verdwijnen?

De bekende komiek José Luis López Vázquez speelt in La cabina een Madrileen die nadat hij zijn zoontje naar de schoolbus heeft gebracht in een telefooncel stapt. De deur valt direct in het slot en de man zit opgesloten. Als een mimespeler kijkt hij verdwaasd om zich heen. Omstanders verzamelen zich al snel rond de telefooncel. Ze zien de man als een soort museumstuk. Hij wordt door de hele buurt aangestaard. Er worden stoelen neergezet, ballonnen verkocht en etenswaren bereid. De politie doet een slappe poging de man te bevrijden. Maar de deur blijft potdicht.

Als de telefooncel op een gegeven moment op een vrachtwagen wordt geladen die afreist naar de woestenij buiten de stad, voel je aan alles dat dit verhaal geen happy end heeft. La cabina toont hoe Franco’s fascisme de bevolking murw heeft geslagen. Ze bekommeren zich niet langer om elkaar. De hulpdiensten doen maar wat. Het leven voelt claustrofobisch aan, als in een telefooncel. En het geweld dat de staat uitoefent is doelloos en volstrekt willekeurig.

El televisor sluit thematisch mooi aan bij La cabina. Deze thriller van Narciso Ibáñez Serrador draait eveneens om een man genaamd Enrique die gevangen komt te zitten in een kleine ruimte. Nadat Enrique zijn eerste kleurentelevisie aanschaft, raakt hij zo verslaafd aan televisiekijken dat hij zich opsluit in de televisiekamer, waar hij hallucineert dat hij vecht met revolverhelden die uit de beeldbuis stappen.

Aan het begin van de film wordt Enrique door de cynisch-geestige voice-over nog omschreven als “een punctueel man” die van zijn familie houdt en van vroeg tot laat werkt om hen te onderhouden. Zijn werklust verdwijnt zodra de televisie is aangesloten. Hij komt amper nog de deur uit. De zondagse kerkmis volgt hij voortaan voor de buis. Tegen het einde van de film schreeuwt hij wanhopig dat hij niet meer weet hoe hij moet denken. Zijn verbeeldingskracht is verdwenen: “Ik kan me niets meer voorstellen!”

Waarschuwing
El televisor toont wat er gebeurt als (fascistische) applicaties en technologie ons denken uit handen nemen. Beide films zijn met hun waarschuwing voor de gevolgen van maatschappelijke apathie nog steeds bijzonder relevant. Ze illustreren hoe fascisme welig kan tieren in een samenleving waarin het ontbreekt aan medemenselijkheid. Maar om die boodschap uit de films te kunnen halen, moet je dus wel goed kijken – misschien wel beter dan de censors destijds, die ondanks hun kritische blik overduidelijk veel over het hoofd zagen.

Uit historisch onderzoek blijkt overigens dat Francisco Franco een fervent filmliefhebber was en dat hij tijdens zijn schrikbewind meer dan tweeduizend filmvertoningen organiseerde. Dat waren vooral komedies en Hollywood-films, en hij was dol op James Bond. Maar sommige van de films van Berlanga en Bardem stonden ook op het programma. De vraag rijst natuurlijk: zag hij de volledige onderliggende intenties van de makers? Of keek hij daar net als de censors overheen?


Two Boxes: Televized Terror in Franco’s Spain Spanje, 1972/1974 | Regie Antonio Mercero/Narciso Ibáñez Serrador | Met José Luis López Vázquez/Narciso Ibáñez Menta | 35/68 minuten | Distributie Radiance (blu-ray, import) | Te zien vanaf 20 juli 2026