Steve!

Komiek-op-leeftijd kijkt vooruit

Steve!

Komiek Steve Martin laat in een intrigerend tweeluik zien hoe hij zich al die decennia moeilijk kon verenigen met zijn ware ik.

“Je moet gewoon jezelf zijn, maar wie weet wat dat betekent? Ik niet.” Komiek Steve Martin (76) probeert in de tweedelige documentaire Steve! met hulp van documentairemaker Morgan Neville (20 Feet from Stardom, 2013) zijn identiteit te ontleden.

In deel één blikt Martin terug op zijn jeugd in Orange County, Californië. Hij was dol op komieken als Jerry Lewis, Laurel en Hardy, en adoreerde Elaine May en Mike Nichols. Maar: “Ik had niets gemeen met wat ze deden.” Martin zocht na een periode van zelfonderzoek zijn heil in een studie filosofie. Niet om zich af te vragen “of god bestaat”, maar om te achterhalen hoe hij het publiek nog harder om zijn grappen kon laten lachen.

Martin vertelt dat hij van jongs af aan de magnetiserende werking van het podium voelt. Maar Orange County is “tienduizend mijl” verwijderd van Hollywood. Met zulke opmerkingen overdrijft Martin schromelijk: hij werkt in zijn tienertijd nota bene als entertainer bij het nabijgelegen Disney World. Hollywood blijkt dichterbij dan hij denkt.

Die momenten van medelijden met zijn vroegere zelf zijn onnodig, want in Steve! is ook alle noeste arbeid te zien die Martin in zijn act, zijn banjospel en zijn films stopt. Steve! draait onmiskenbaar om het denkwerk dat komedie vereist. Maar ook om de invloed van Martins jeugd op zijn werk. De problematische relatie met zijn vader is altijd zichtbaar, van zijn vroege act tot aan successerie Only Murders in the Building (2021-heden). In het tweede deel van Steve! toont Martin, die op 67-jarige leeftijd vader werd van een dochter, dat hij het ouderschap overduidelijk anders aanpakt.

Zo draait het eerste deel van dit documentairetweeluik om Martins gefabriceerde showbizz-persoonlijkheid en het tweede deel om een man op leeftijd die eindelijk vooruit durft te kijken en om die reden ook minder op zijn hoede is.

De slotscène is in dat opzicht treffend. Martin, een fervent kunstverzamelaar, vertelt over het schilderij Captain Upton’s House (1928) van Edward Hopper, waarop een kustwoning met een vuurtoren staat afgebeeld. Toen hij het dertig jaar geleden kocht, omschreef hij het werk als “ontdaan van leven”, een verbeelding van “afzondering en eenzaamheid”. Inmiddels denkt hij daar anders over: “Dit huis is springlevend. De ramen staan open, de gordijnen lijken te wapperen, de zon schijnt op de veranda. Er leven mensen in dat huis.” Intussen lijkt Martin zichzelf een stuk beter te kennen. En zijn de ramen daardoor wat verder opengezet.