Remake
Geen filmmaker, maar een hermaker
Remake
In het associatieve Remake blikt Ross McElwee terug op zijn carrière. Het auto-retrospectief van een baanbrekende documentairemaker is een bespiegeling op de kunstvorm van de documentaire.
“Ik was vroeger filmmaker.” Met deze woorden begint Ross McElwee Remake. Al meer dan vier decennia lang filmt de Amerikaanse documentairemaker zijn gezinsleven, maar na de dood van zijn zoon Adrian in 2016 heeft hij zijn camera weggelegd.
De vraag hoe McElwee ophield een filmmaker te zijn, verbleekt bij de belangrijkere vraag: wat is hij dan wel? Eén ding is immers zeker: met Remake maakt McElwee weer een film. Zijn uitspraak is echter meer dan alleen een contradictio in terminis. Af en toe pakt hij de camera op en richt die op zichzelf, maar Remake bestaat grotendeels uit beelden uit zijn eerdere films. In die zin is hij misschien vooral een hermaker.
Remake volgt ogenschijnlijk de poging van een Hollywood-producent om McElwee’s beroemde documentaire Sherman’s March (1985) te bewerken. Meer nog dan een verslag van de perikelen van het verkopen van filmrechten, is Remake een beschouwing van een filmmaker over zijn eigen werkwijze, en een reflectie op de vraag of het genre van de documentaire überhaupt wel bestaat.
Als McElwee nu terugkijkt op zijn oeuvre, beschouwt hij het vooral als fictie – een wereld die hij voor zichzelf heeft gecreëerd. Zijn huwelijk, bijvoorbeeld, is inmiddels ontbonden, en dat maakt hun geloften, vastgelegd in de film Time Indefinite (1993), fictief. Remake draait vooral om zijn zoon Adrian. Wanneer McElwee in zijn films beelden terugziet van Adrian die opgroeit, ziet hij hem als een fictief personage. Hij vreest dat dit personage zijn herinneringen aan zijn zoon zal verdringen, waardoor uiteindelijk alleen het beeld dat hij van hem heeft gecreëerd, overblijft.
Of is dat al gebeurd? McElwee reflecteert op een moment waarop een journalist hem vroeg of hij misschien te streng was voor zijn zoon. Dit beeld komt misschien in je op als je zijn vroegere films bekijkt, maar McElwee vindt juist dat hij niet streng genoeg was. In zijn films liet hij het ergste van Adrians verslaving en psychische problemen immers achterwege. Daar zijn allerlei goede redenen voor te bedenken, maar misschien was het filmen en het op deze manier portretteren van zijn zoon toch vooral een manier om zichzelf voor de gek te houden. En misschien zag Adrian, toen hij zijn leven terugzag op het scherm, zichzelf uiteindelijk ook zo: als een jongen die in knoop zat met zichzelf, maar waarmee uiteindelijk alles wel goed zou komen.
Dat gebeurde niet. Adrian stierf in 2016 op 27-jarige leeftijd aan een overdosis fentanyl. Heeft McElwee wel goed opgelet? Had hij iets kunnen doen? Dit soort vragen spelen vaak na onverwachte sterfgevallen. In dit geval wegen ze extra zwaar omdat McElwee over zoveel beeldmateriaal beschikt om op terug te blikken. Hij kan als het ware terug de tijd in om het moment aan te wijzen waarop het misging.
McElwee reflecteert op de rol die hij heeft gespeeld in de dood van zijn zoon: de druk die hij op hem uitoefende door zijn leven vanaf zijn geboorte te filmen, de signalen die hij heeft gemist omdat hij druk bezig was met het maken van een film. Hoewel McElwee hard voor zichzelf is, is Remake meer dan alleen een biechtfilm. Hij verweeft deze vragen met bredere vraagstukken over herinnering en kunst, en het vermogen om de werkelijkheid ooit echt vast te leggen. Het is inmiddels een algemeen aanvaarde opvatting dat we de werkelijkheid in documentaires net zozeer creëren als dat we haar beschrijven, maar McElwee vertaalt het naar geleefde ervaring.
Misschien zit het zo: in zijn eerdere films legde McElwee zijn werkelijkheid vast hoe hij haar toen ervaarde. Nu geeft hij die beelden echter een nieuwe vorm, zodat ze zijn veranderde kijk op de wereld weerspiegelen. Remake geeft zijn kijk op de wereld zoals die nu is. Waarschijnlijk zal ook deze film uiteindelijk een remake behoeven.