Planet of the Humans

Gifgroene energiebeloftes

Planet of the Humans

Onze dorst naar fossiele brandstof moet gestild worden, maar Jeff Gibbs ziet geen heil meer in groene energie. Zijn bij vlagen overtuigende, door Michael Moore geproduceerde ecodocumentaire Planet of the Humans bevat een paar inconvenient truths en nog veel ongemakkelijkere leugens.**

Zelfs de goden kunnen blijkbaar bloeden, want na een ongekende groei die enkele decennia duurde krijgt ook de fossiele brandstofindustrie – net als elke andere industrie – in deze tijden van globale isolatie harde klappen te verduren. De crash van de olieafzetmarkt was zelfs zo catastrofaal dat producenten letterlijk hun afnemers betaalden om een deuk te kunnen slaan in hun uit de voegen barstende oliereserves. Inmiddels worden er grappen gemaakt over het dagelijks even stationair laten draaien van je auto, uit solidariteit met de fossiele brandstofproducenten. Of dat je nog nét niet betaald wordt wanneer je een lege tank laat vullen.

Het is nog te vroeg om te weten of deze globale economische stilstand ook echt voor een mentaliteitsverandering gaat zorgen, maar we kunnen ons in toenemende mate een wereld na het kapitalisme voorstellen. Misschien kunnen we het systeem van een almaar groeiende economie en onafgebroken toename in productie van grondstoffen achter ons laten na deze quarantaineperiode. Een groenere toekomst is nog mogelijk.

Daarom kon de timing van Planet of the Humans niet beter – en pijnlijker – zijn. Deze tegendraadse ecodocumentaire van activist Jeff Gibbs, geproduceerd door Michael Moore en op De Dag van de Aarde gratis op YouTube gezet, benadrukt hoe verdorven de fossiele brandstofindustrie is. Al hoeven we ook geen hoop te putten uit de populistische “duurzame” of “groene” energiebeweging. Gibbs richt zijn pijlen hier niet op de traditionele big oil, maar rekent vooral af met zogenaamd klimaatbewuste milieugroepen die hun oorspronkelijke beweegredenen hebben verloochend voor klinkende munt. Ook Gibbs was ooit een duurzaamheidsutopist, legt hij uit in de introductie van zijn film. Nu schetst hij een cynisch en ontnuchterend beeld: de belofte van groene energie is ingelijfd door het kapitalisme en gebruikt als duurzaam jasje dat fossiele en klimaatbeschadigende brandstoffen afdekt.

Veertien jaar na An Inconvenient Truth (Davis Guggenheim, 2006) onthult Gibbs de veel ongemakkelijkere leugen dat onze duurzame energie totaal niet duurzaam is, en onze groene energie al helemaal niet groen. De hoeveelheid kool en kwarts die nodig is om een windmolen te maken is een schrijnend voorbeeld van het intense rendementsverlies van hernieuwbare energie. De complexe ecosystemen die inclusief flora en fauna vernietigd moeten worden om ruimte te maken voor zonnepaneelparken is werkelijk schrikwekkend, al helemaal wanneer Gibbs de omvangrijke schroothopen laat zien waar zulke parken soms al na een paar jaar op uitlopen. En dan is er nog de onbeschrijfelijke horror van biomassa, volgens energielobbies een “duurzame” brandstof opgewekt door houtsnippers, wat eigenlijk wil zeggen: het bijproduct van landbouw en ontbossing, ofwel bossen aan gekapte bomen die in de smelter gaan.

Niet voor niets staat Michael Moore groot op de poster van deze documentaire. De manieren waarop Gibbs zijn argumenten presenteert komen regelrecht uit het boekje van de regisseur van Bowling for Columbine (2002), Fahrenheit 9/11 (2004) en Fahrenheit 11/9 (2018), films waar Gibbs ook aan heeft meegewerkt als producent. De beste scènes zijn van oldschool journalistieke aard en doen denken aan Moores ongefilterde lef: Gibbs die boegbeelden van de groene energiebeweging het vuur aan de schenen legt of op verboden gebied verschillende soorten hernieuwbare energieplantages filmt. Gibbs staat stil bij de verblindende hypocrisie van allerlei energieloyalisten (Al Gore, Arnold Schwarzenegger, de auto-producerende partner van zangeres Grimes) en onthult deze sector als de nieuwste variant op The Wizard of Oz.

De kracht van deze scènes schuilt in hun doeltreffende metaforische aard. Het benefietfestival van De Dag van de Aarde draait zogenaamd op zonne-energie. Een publiek van duizenden mensen applaudisseert luidruchtig voor dit hele groene gebeuren. Gibbs stapt ondertussen backstage en bevraagt de technici over de zonnepanelen die volgens hen “niet eens een broodrooster” van stroom zouden kunnen voorzien. In een hoek staat een dieselmotor te ronken.

Planet of the Humans is helaas in elk opzicht typisch Moore, wat ook betekent dat we de banale vox pop-registraties moeten verduren, net als de lompe montagesequenties die in een hopeloze poging tot engagement het publiek bombarderen met emotioneel materiaal. In dit sentiment schuilt gelijk ook het grootste zwaktebod van de film: Gibbs bekritiseert milieuactivisten die zijn gevallen voor geld of voorgelogen met echt groen, maar komt zelf niet verder dan terneergeslagen doemdenken. In een interview met een psycholoog leert hij bij wijze van Albert Camus de onvermijdelijkheid van de dood omarmen. Daarmee zijn de wezenlijke problemen die hij in zijn film terecht aankaart misschien voor hemzelf, maar voor niemand anders opgelost.

Gibbs eindigt zijn film op een hartverscheurende, tragische noot. Het gevaar is dan dat de kijker zich er vervolgens simpelweg bij neerlegt dat het nu eenmaal zo is. Nog veel gevaarlijker: Gibbs laat een handvol wetenschappers aan het woord die allen overpopulatie noemen als het grootste onderliggende probleem van onze dorst naar brandstof. Het feit dat al deze experts wit en westers zijn doet vermoeden dat Gibbs niet lang genoeg heeft nagedacht over wat het vandaag de dag betekent om dat woord in de mond te nemen. Planet of the Humans geeft hier een maar al te handig voorzetje voor ecofascisten en westerse eugenetica.

En zo is de vergelijking met Moore volmaakt. In de traditie van zijn producent heeft Gibbs met Planet of the Humans een absoluut urgent, maar volkomen onvolmaakt werk geleverd dat zeker gezien, maar vooral ook nauwkeurig onderzocht en bekritiseerd moet worden.


Planet of the Humans is nu gratis te zien via het YouTube-kanaal van Michael Moore. De film geeft inmiddels aanleiding tot felle discussies. Onder meer klimaatexperts bekritiseren de ‘achterhaalde standpunten die we al kennen van de fossiele industrielobby’ die in de film naar voren zouden worden gebracht. Zie dit artikel in The Guardian.