Midnight in Paris

Flirten met Picasso's maîtresse

Midnight in Paris, Woody Allens eerste kaskraker in jaren, waarschuwt tegen al te romantische ideeën over andere tijden. De boodschap dat het gras elders altijd groener lijkt is allesbehalve subtiel, maar wel onbedaarlijk grappig.

Zou Woody Allen seniel zijn geworden? Bij het zien van de openingsbeelden van Midnight in Paris zou je het bijna vrezen. Begeleid door een nostalgisch muzakje opent de film met stilstaande beelden van toeristentrekpleisters in de Franse hoofdstad. Eigenlijk zijn het gewoon ansichtkaarten, die ieder clichébeeld bevestigen. Zou dit echt het Parijs zijn dat Allen wil bezingen? Dit is toch echt hele andere koek dan de (alleen) op het eerste oog vergelijkbare openingssequentie van Manhattan, die schitterende zwart-witbeelden van New York koppelde aan George Gerschwins meeslepende Rhapsody in blue. Waar Manhattan een levende stad met een kloppend hart toonde, daar lijkt dit Parijs opgepoetst en nep. Iets later wordt duidelijk dat Allen hiermee het thema van zijn film al meteen neerzet: de hang van mensen om ergens anders te willen zijn. Bovendien illustreert die reeks postkaarten hoe de Amerikaanse hoofdpersonen hun Parijse vakantie doorbrengen: hoppend van toeristenattractie naar stedentrip-tip. Waarbij de cultuur vooral dient als adempauze tussen het eindeloze shoppen.
Die tournee is echter niet naar de zin van Gil (Owen Wilson), een romanticus die meent het ware Parijs te doorgronden, en die zich niets mooiers kan voorstellen dan half dronken door de regen te zwieren in de stad van zijn helden Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway. Gil is een succesvolle Hollywood-scenarist, die er van droomt om een serieuze romanschrijver te worden. Zijn materialistische verloofde (Rachel McAdams) wil hem best steunen bij die carrièreswitch — als ze zijn geklets er maar niet bij krijgt.

Picasso’s muze
Tot zover het heden. Op een avond, als Gil zich heeft afgezonderd van zijn verloofde, zijn rabiaat Republikeinse schoonouders en de pompeuze kunstsnob die zich heeft opgedrongen als gids, komt er in een stil straatje een antieke auto voorrijden. Precies om middernacht. In de auto zitten Gils helden Scott en Zelda Fitzgerald, die hem meenemen naar een champagnedoordrenkt feest in de jaren twintig. Woody Allen doet geen moeite om de tijdreis te verklaren. Voor hem is film magie: verdere toelichting overbodig. Net zoals het onnodig was om uit te leggen hoe filmster Jeff Daniels in The purple rose of Cairo van het witte doek kon wandelen om de hort op te gaan met bioscoopbezoekster Mia Farrow.
In de nachten die volgen, legt een door alle indrukken overdonderde Gil zijn manuscript voor aan literatuurgoeroe Gertrude Stein, heeft hij een krankzinnig geestige ontmoeting met de surrealisten Dalí, Buñuel en Man Ray en luistert hij bewonderend naar de hilarische macho oneliners van Ernest Hemingway. De meeste indruk maakt zijn flirt met Picasso’s maîtresse annex muze Adriana, een perfect gecaste Marion Cotillard. Net zoals trouwens Owen Wilson een perfect alter-ego van Woody Allen neerzet en alle figurerende kunsticonen ook geweldig zijn ingevuld. In Adriana herkent Wilson een romantische ziel, die net als hij droomt van een zinvoller bestaan in een andere tijd: de Belle Epoque van Gauguin en Toulouse Lautrec. De tijdreis-in-een-tijdreis die hierop volgt, gebruikt Allen om de boodschap letterlijk uit te spellen: van nostalgie wordt niemand beter, en je kunt je energie beter gebruiken om gelukkig te worden in het heden. Bepaald geen vernieuwende boodschap dus, maar wel een boodschap die is verpakt in serie amusante historische ontmoetingen en oneliners die zich kunnen meten met de beste grappen uit Allens oeuvre.

Fritz de Jong