Extremely Loud & Incredibly Close

Mooischreeuwerij

De verfilming van Jonathan Safran Foers roman over de naweeën van de 11-septemberaanslagen doet heel hard zijn best om het instrument van collectieve verlossing te zijn. Maar is dat niet.

’s Nachts in bed huilt Stephen Daldry over het tragische lot van de wereld en daarom maakt hij overdag pompeuze verfilmingen van romans over collectieve trauma’s. Dat begon in 2002 met The Hours toen Daldry argeloze bioscoopbezoekers kwam terroriseren met zelfmoord en aids in de vorm van het gepatenteerde lijden van Nicole Kidman en Meryl Streep. Daarna verscheen in 2008 The Reader over Duitse oorlogsmisdaden en collectieve schuld en ergens tussen die twee films raakte de Brit geobsedeerd door Jonathan Safran Foers bejubelde 9/11-traumaverwerker Extremely Loud & Incredibly Close.
Daldry’s films kregen allemaal een Oscarnominatie voor Beste Regie. Behalve Extremely Loud, die kreeg er een voor Beste Film. Gelukkig wint die de prijs alleen als de Academy zichzelf professioneel failliet wil verklaren want Stephen Daldry’s film is van een teleurstellende middelmatigheid.
Safran Foers verhaal draait om de 11-jarige Oskar die worstelt met de dood van zijn vader, hier in flashbacks vertolkt door de altijd aaibare Tom Hanks. Uit die herinneringen wordt duidelijk dat Oskar licht autistisch is — net genoeg om sympathie op te wekken, net te weinig om af te stoten — en dat zijn vader hem via puzzels de wereld liet ontdekken om zijn angsten te overwinnen. Als Oskar na zijn vaders dood een sleutel vindt, ziet hij dat als zijn laatste opdracht. Het is een puzzel die de jongen op een zoektocht door New York zal sturen en die behalve een verhaal over rouw ook een zoektocht is naar de onderlinge verbondenheid van z’n bewoners.

Razernij
Amerikaanse recensenten reageerden eerder al met vernietigende kritieken. ‘Ja, u zult huilen, maar als de tranen getrokken worden zoals in deze film, dan is razernij vervolgens de echte reactie.’ (NYT) ‘Het is het soort film dat je op z’n smoel wilt slaan.’ (Detroit News)
Waarom zulke heftige reacties? Is het trauma niet verwerkt of is de film niet goed genoeg? Bij twee eerdere films over nationale trauma’s — de Japanse aanval op Pearl Harbor en de Vietnamoorlog — die net als Extremely Loud ook tien jaar na dato werden gemaakt, reageerde de pers heel anders. From Here to Eternity uit 1953 en Apocalypse Now uit 1979 werden juichend ontvangen terwijl ze allebei kritischer waren op het eigen functioneren dan Daldry’s film. Veel kritischer zelfs.
Amerikaanse recensenten zijn dan ook vooral teleurgesteld. De belangrijkste films over die 11e september waren tot nu toe Oliver Stone’s World Trade Center en Paul Greengrass’ United 93, maar dat waren films over de heroïek van omstanders. In tien jaar tijd durfde geen enkele mainstreamfilm het aan om de emotionele chaos na die aanslagen te duiden en daarmee ruimte te geven aan wanhoop en rouw, behalve misschien Kenneth Lonergans Margaret. Maar daar is wel behoefte aan.
En dan verschijnt Extremely Loud & Incredibly Close. Een film die wel pretendeert de nationale tragedie in de ogen te kijken, maar die de kijker geen enkele emotionele ruimte laat. Een film moet van binnen naar buiten werken, zei iemand ooit, niet van buiten naar binnen. Met andere woorden, film moet een onderwerp openbreken en tot leven brengen, niet afsluiten en verstikken.

Toverstaf
Maar verstikken is wat deze film doet. Alle personages zijn precies de sympathieke en door het leven getekende figuren die je verwacht tegen te komen in een verhaal als dit en alle details hebben precies de juiste houtje-touwtje klunzigheid om te ontroeren. Het moet spontaan lijken maar het voelt gemanipuleerd. Kitsch dus. Het zigeunerjongetje met de traan.
Oskar zelf is daar het beste voorbeeld van. Aanvankelijk vooral irritant want extreem luidruchtig, maar later ongelofelijk dichtbij, is althans de bedoeling, omdat Oskars verwarring over de wrede werkelijkheid ons de verwarring van alle New Yorkers moet laten voelen. Maar dat is te gemakkelijk, zoals blijkt uit dat ene detail waarmee de film zichzelf de nek omdraait. Als Oskar zich verward voelt, is hem geleerd, moet hij met een tamboerijn rammelen om tot rust te komen. Dat is de bekende gemakzucht van het melodrama: alsof Oskars verdriet en verwarring, en in het verlengde daarvan het verdriet en de verwarring van alle Amerikanen, met de zwaai van een toverstaf zullen verdwijnen. Bovendien gebruikt Daldry die tamboerijn ook als muzikaal commando aan de kijker om met Oskar mee te voelen. Alsof die kijker een gedresseerd paard is.
Zo werkt het dus niet. Verwarring, meneer Daldry, betekent dat je geen idee hebt waar je mee moet rammelen, dat je geen idee hebt waar je met je verdriet naar toe moet. Dát had de film voelbaar moeten maken. Extremely Loud & Incredibly Close doet verschrikkelijk zijn best om voor de Amerikanen die tamboerijn te zijn, dat instrument van collectieve verlossing waar al zo lang naar verlangd wordt. Maar dan had de film moeten laten zien dat verlossing na zo’n tragedie niet mogelijk is. Niet door de executie van Bin Laden en ook niet door twee uur lang de avonturen van een aandoenlijk autistisch jongetje te volgen. Een echte regisseur weet dat film alleen tijd en ruimte kan geven. Daldry doet geen van beide.

Ronald Rovers