Dead Man’s Wire

Grootkapitalist aan metalen strop

Dead Man’s Wire. Foto: Stefania Rosini

Na zeven jaar is Gus Van Sant terug met een onevenwichtige fictiefilm over het waargebeurde verhaal van Tony Kiritsis, die met een gijzelactie onder een woekerhypotheek uit probeerde te komen.

“Wat verdomde catharsis”, dat is waar zakenman Tony Kiritsis voornamelijk op uit is. In 1977 betreedt hij de lobby van hypotheekbedrijf Meridian met een jachtgeweer in een kartonnen doos. Aan de trekker van het geweer zit een metalen draad die hij om de nek van hypotheekadviseur Richard Hall windt – een dead man’s wire. Probeert iemand in te grijpen, dan gaat de trekker automatisch over en mogen de schoonmakers van Meridian de bloederige overblijfselen van Hall van de vloer dweilen.

Deze op zijn zachtst gezegd onconventionele gijzelactie haalde al gauw het nieuws. Later vereeuwigden de memoires van Hall, een documentaire uit 2018 en een podcast-serie het verhaal van deze excentrieke working class hero, die de grootkapitalisten een les wilde leren.

Met Dead Man’s Wire maakt Gus Van Sant zijn hervertelling. Voor zijn eerste speelfilm in zeven jaar verpakt hij het David versus Goliath-verhaal in een eclectisch jasje, met archiefbeelden en fictiescènes die samenvloeien tot een prettige pastiche van de beste genrefilms uit de jaren zeventig. Dog Day Afternoon (Sidney Lumet, 1975) is het meest voor de hand liggende referentiepunt, al helemaal omdat de hoofdrolspeler daarvan, Al Pacino, hier een kluchtige bijrol heeft als vader van Richard Hall.

Eigenlijk had die meedogenloze kapitalist aan de metalen strop van Kiritsis moeten zitten, maar de directeur van Meridian was op vakantie, waardoor zijn zoon het slachtoffer werd. Zulke stommiteiten vormen de bouwstenen van de film, met Kiritsis als een brokkenpiloot die na verloop van tijd ook niet meer weet wat hij in godsnaam doet.

De beste scènes tonen de beklemmende 63 uur die Kiritsis en Hall met elkaar doorbrengen, terwijl de politie in onderhandelmodus schiet. Beide mannen zijn op hun eigen manier slachtoffer van Meridian: de ene zit met een woekerhypotheek die hij niet kan afbetalen, de ander kijkt continu in de loop van het jachtgeweer dat bij elke verkeerde beweging af kan gaan. Helaas sleept debuterend scenarist Adam Kolodny er in zijn script ook het omringende mediacircus bij, waarmee de film zijn compactheid verliest.

Lumet komt nog een keer terug, via knipogen naar zijn meesterlijke mediasatire Network (1976). Van Sant is echter geen Lumet. De regisseur van My Own Private Idaho (1991), Good Will Hunting (1997) en Elephant (2003) heeft een imposant en veelzijdig oeuvre, maar geen vaste stijl waarmee hij echt grip op het materiaal krijgt.

Het resulteert in een film die net te veel op zijn wispelturige hoofdpersonage lijkt: vol goede bedoelingen, maar met te weinig handigheid om de eindstreep succesvol te halen.