Uniek netwerk van filmtheaters onder druk

Rocketman

De fundamenten van het ‘vrije circuit’, het rijke netwerk van filmhuizen staan onder druk. Het is een illusie dat alles aan de markt kan worden overgelaten, stelt filmhuisdirecteur Géke Roelink.

Toen in de jaren zeventig het ‘vrije circuit’ in Nederland ontstond, was de verdeling van taken tussen bioscoop en filmtheater glashelder: de filmtheaters vertoonden films die om financiële of inhoudelijke redenen niet in de bioscoop te zien waren. Anno 2019 is die verdeling ogenschijnlijk nog steeds van kracht, in een infrastructuur waar andere landen jaloers op zijn: een prachtig netwerk van filmhuizen dat samen met commerciële vertoners zorgt voor een rijkgeschakeerd filmaanbod.

Goed geregeld dus? Dat valt te bezien, want het filmklimaat dreigt in rap tempo te verschralen.

Een belangrijke oorzaak is dat – bewust en onbewust – de doelen van commerciële en culturele vertoners door elkaar worden gehaald. Deze verwarring leidt tot onduidelijkheid over taken, onjuiste beweringen en onjuiste veronderstellingen. Dat maakt de positie van filmtheaters kwetsbaar.

Doelen verwarren
Het helpt niet dat minister Wiebes de culturele sector bestempelt als ‘een hobby’ en Baudet orakelt dat onze boreale wereld ten onder gaat aan subsidie­verslindende kunst en cultuur. Er is in ons land onevenredig grote waardering voor aandeelhouders/eigenaars, terwijl stelselmatig wordt geageerd tegen cultuursubsidies.

Flink wat commerciële vertoners spelen deze kwetsende politici in de kaart door te beweren dat ze hetzelfde doen als filmtheaters of door te roepen dat je voor filmvertoning in Nederland helemaal geen subsidie nodig hebt. Saillant detail: een aantal eigenaren van commerciële arthouses beweert dat ze zonder subsidie kunnen, maar als je wat dieper in hun financiering duikt, blijkt dat ze geld van de Europese Unie ontvangen en dat hun gefortuneerde investeerders met hun geldschietingen allerlei belastingvoordeel kregen. Bovendien regelde menig bioscoop voor een habbekrats een gemeentelijk gebouw terwijl filmtheaters geregeld met moeite de huurpenningen ophoesten. Dat heet misschien niet allemaal subsidie, maar per saldo is het keihard gemeenschapsgeld.

De recente sluiting van ’t Hoogt in Utrecht, het oudste filmtheater van Nederland, is (direct of indirect) een gevolg van deze tendensen. Wie niet weet wat filmtheaters doen en doelen verwart, kan zomaar denken dat de samenleving hiermee een dienst wordt bewezen.

Terug naar de gemeenschap
Filmtheaters die hun taken serieus nemen, brengen een aanvullend, onderscheidend en eigenzinnig filmaanbod met avontuurlijke randprogrammering én met educatie en talentontwikkeling. Nieuwe generaties kijkers en makers worden er opgeleid. Het zijn culturele ontmoetingsplekken, waar film wordt beschouwd als kunst en als middel om ieder denkbaar onderwerp te agenderen. In de filmtheaters maken ukjes hun eerste stopmotion-film en bekijken Koerden en Turken broederlijk naast elkaar een klassieker. En dit alles met een relatief klein percentage subsidie uit de gemeentelijk cultuurbegrotingen.

Filmtheaters zijn stichtingen met een ANBI-status, wat wil zeggen dat ze niet zijn gericht op het maken van winst – eventuele inkomsten vloeien terug naar de gemeenschap. Daarin onderscheiden ze zich van de commerciële theaters, waar evenzeer prachtige films worden vertoond, maar waar het primaire doel is om geld te verdienen voor de aandeelhouders of de eigenaars.

Iedereen begrijpt dat een galerie niet hetzelfde kan als het Rijksmuseum. Het doel van beide organisaties is in beginsel immers anders: de galerie is gericht op geld verdienen, het Rijksmuseum is van betekenis voor de samenleving en toekomstige generaties. Het is zonneklaar dat de taken die het museum verricht niet zonder subsidie kunnen. Maar voor de filmsector lijkt die kromme redenering wél in vruchtbare aarde te vallen.

Dunne lijn
Het helpt misschien ook niet dat in de filmwereld entertainment en kunst slechts door een dunne lijn gescheiden zijn. Een artistiek filmdebuut kan opeens een kaskraker worden; een geflopte commerciële film kan twintig jaar later een hoog gewaarde cultklassieker blijken.

Wat de zaak verder compliceert is dat menig filmtheater ook commercieel programmeert. Soms omdat dit ‘films zijn waar het publiek om vraagt’, vaker omdat dit de enige manier is om ander aanbod te financieren. Het is veel lastiger om films met een piepklein marketingbudget over het voetlicht te brengen. Bovendien zijn filmeducatie, talentontwikkeling, randprogrammering en filmfestivals geen verdienmodel, maar kosten ze juist geld. Met een belabberd subsidieniveau kan een filmtheater soms niet veel anders dan zich voor een fiks deel als commercieel ondernemer gedragen.

Zo is de kaskraker Rocketman op het moment van schrijven in 146 Nederlandse theaters te zien, waaronder de meeste filmtheaters en geregeld drie keer per dag op prime time. Voor het fraaie Nederlandse debuut Take Me Somewhere Nice kun je slechts op 31 plekken terecht, soms alleen in de ochtend. En dit is bij lange na niet het meest schrijnende voorbeeld. Hoe kunnen dit soort prachtige films hun publiek vinden als ze maar heel even in slechts drie filmtheaters te zien zijn geweest? Moeten filmliefhebbers snipperdagen opnemen? Of wordt er verondersteld dat filmliefhebbers allemaal zeeën van tijd hebben?

Gunnen en geven
Vanwege die commerciëlere programmering komen filmtheaters direct in het vaarwater van de bioscopen. Het is best begrijpelijk dat die daar chagrijnig van worden. Zeker de kleine zelfstandige bioscopen en art­houses hebben de inkomsten net zo goed hard nodig voor hun voortbestaan.

Het is een illusie dat alles aan de markt kan worden overgelaten. Filmtheaters hebben daarom gemeente­besturen nodig die zich realiseren dat een optimaal filmklimaat gebaat is bij steun voor culturele vertoners en bij lokale regie. Gun en geef de filmtheaters de financiering die ze nodig hebben en zorg dat commerciële en culturele vertoners elkaar niet in de weg hoeven zitten. En mocht een filmtheater genoodzaakt zijn om ook commercieel aanbod te vertonen – of die taak op zich nemen omdat een bioscoop te ver fietsen is – dan moet die daarin transparant zijn, en de geldstromen voor de culturele taken oormerken. Want finan­cieringsverwarring blijkt een effectief middel om filmtheaters uit te schakelen.

De (film)wereld is roerig, daar kunnen we kort over zijn. Maar we houden allemaal van film. Laten we erkennen dat commerciële én culturele vertoners belangrijk zijn voor een optimaal filmklimaat. Zodat nieuwe generaties kijkers en makers niet alleen opgroeien met aanbod gemaakt uit commerciële overwegingen, maar ook de kans krijgen geïnspireerd te raken door die andere, onverwachte en relevante films. Dat is goed voor ons allemaal.


Géke Roelink is directeur van Filmhuis Den Haag en adviseur van de Raad voor Cultuur