Rialto Silo: architectonische puzzel met grote buurtpotentie
Rialto Silo is in de rechter silo gesitueerd
Met Rialto Silo heeft Amsterdam – en Nederland – er een bijzonder filmtheater bij. De vijf zalen met in totaal 341 stoelen zijn gesitueerd in enorme betonnen silo waar vroeger afvalwater in werd opgeslagen. Gebouwd in een nieuwbouwwijk zonder noemenswaardig culturele voorzieningen vult Rialto Silo een nog lege plek in de bioscoopinfrastructuur.
Waar nu nog een houten schot met een deur zit, zal volgende week een glazen gevel uitzicht bieden op het interieur. Daarboven dan in neon: Rialto. Toen Raymond Walravens hier voor het eerst een kijkje kwam nemen, was er nog helemaal geen doorgang, enkel een massieve betonkolos die tussen 1980 en 2006 dienst had gedaan als opslag voor afvalwater. In de belendende silo was een gat gezaagd waar de directeur van Rialto doorheen kroop. Wat hij zag, beschrijft hij als “een heel groot, leeg biervat”. Toch was hij enthousiast. Zodanig zelfs dan nu, acht jaar later, de opening van Rialto Silo aanstaande is. Op 5 november worden de eerste films vertoond en vanaf 13 november doet het brandnieuwe filmtheater dienst als IDFA-locatie.
Wie dan binnentreedt en nog aan het bekomen is van de bruut indrukwekkende buitenkant van het gebouw, staat meteen in het café. Een welkome toevoeging aan het karige horeca-aanbod van het Amsterdamse Zeeburgereiland, op een steenworp afstand van de ringweg A10. Hier kan eenvoudig maar goed gegeten en gedronken worden tegen eetcaféprijzen. Aan het schuine plafond, dat ook goed zichtbaar is vanaf de entresol, is een lappendeken van filmposters aangebracht. “Alle medewerkers mochten drie favoriete films opgeven”, vertelt Walravens over de ruim zeventig affiches van onder andere Ran, Minoes, West Side Story en Magnolia. Het postertapijt versterkt de werking van het akoestisch plafond maar biedt ook genoeg conversation starters voor een misschien wat stroef lopende date.

Aan het verre einde van het café bevindt zich de kassa, waar bezoekers die niet van betaalzuilen houden gewoon door een mens worden bediend. Daarna is het trap op of lift in en beland je in de grote zaal. Hier staan 127 stoelen van het Noorse merk Skeie: comfortabel breed en zacht, met de mogelijkheid tot kantelen zodat je onderuit kunt zitten. Ze bieden zicht op een lekker breed scherm waar een 4K-projector de film op vertoont. Het geluid is Dolby Surround 7, zoals in alle zalen.

Twee van de in totaal vijf zalen zitten op de derde verdieping. Eentje is uitgevoerd in warm terra, de ander in mosgroen en beide bieden ze 71 zitplekken plus een rolstoelplek. Decoratie is tot een minimum beperkt. Het interieur van de filmzalen is net zo utilitair als de silo waar ze in zitten – en daarmee net zo tijdloos. Dat geldt ook voor de zalen op de vierde verdieping, die te bereiken zijn via een gang met stalen dwarsbalken waar de kantooropbouw van het gebouw op rust. Deze zalen bieden elk plaats aan 36 bezoekers en één rolstoeler.
“Het was een aardige architectonische puzzel”, erkent Walravens. “Het is ook niet per se logisch om rechthoekige zalen in een rond gebouw te zetten. Maar de architecten van Elephant Studio hebben heel efficiënt vijf zalen in een bouwhoogte van 22 meter weten te plaatsen. Onder meer door de zalen op de verschillende etages in tegenovergestelde richting op elkaar te zetten en bezoekers op de ene verdieping beneden in de zaal te laten binnenkomen en op de andere verdieping boven. Natuurlijk houd je restruimte over. Maar die hebben we gebruikt voor kantoorruimte en een kleedkamer bij de grote zaal, die gebruikt kan worden bij evenementen.”
Uitermate geschikt voor evenementen is ook de vijfde etage, die Walravens “het toetje” noemt. Het is een multifunctionele ruimte met mobiele bar en projectiemogelijkheden waar je staand honderd man in kwijt kunt en zittend veertig. “Hier is alles mogelijk”, stelt Walravens. “Een feest of presentatie, maar je kunt ook denken aan educatieprogramma’s of een minifestival met korte films van scholieren.” Absolute showstopper van deze bovenste verdieping is het uitzicht vanaf het terras dat volledig rondom de silo loopt. Het centrum, Oost en Noord zijn perfect te zien. Dichterbij: IJburg, de Sportheldenbuurt en Sluisbuurt, waar vooral de naarstige bouwactiviteiten opvallen.

Dat er in deze relatief nieuwe buurten van Amsterdam behoefte is aan een filmtheater, merkte Walravens toen hij – nadat hij door dat gat in de silo was gekropen – besloot mee te doen aan de prijsvraag die de gemeente had uitgeschreven voor deze industriële monumenten. Samen met ontwikkelaar Dubbell diende hij een plan in voor één van de drie silo’s. “Er was een vakjury en een buurtjury en bij beide waren wij in de eerste ronde nummer 1. Maar toen kwam er nog een tweede ronde en moesten er wel genoeg andere projecten zijn voor één of twee silo’s om ons project mee te laten matchen. Dat was helaas niet zo. De twee andere overgebleven partijen hadden plannen voor drie silo’s. Formeel eindigden we in de tweede ronde op de derde plek, maar beide jury’s gaven aan dat de winnaar zou moeten nadenken over een manier om ons een plekje te geven binnen hun plan.”
Die winnaar was Vink Bouw en binnen een paar maanden zat Walravens bij deze ondernemer-ontwikkelaar aan tafel. Er werd wat geschoven en geschikt en Rialto kreeg alsnog zijn eigen silo. Eind 2020 was de kogel door de kerk en werd het koopcontract getekend. In maart van het daaropvolgende jaar zou de bouw van start gaan, maar toen brak corona uit. Mogelijke huurders voor de andere twee silo’s haakten af en het hele project ging de ijskast in. Twee jaar duurde het voordat er weer voldoende zekerheid was om te zeggen: eind augustus 2024 start de bouw.
Elk nadeel heeft z’n voordeel dus ook deze gedwongen pauze. “Ik kon rustig de financiering in orde maken”, vertelt Walravens. “Het hele project kost €7,4 miljoen. Daarvoor zijn we een lening aangegaan bij de Triodosbank, met aanvullende lage renteleningen bij het Cultuurfonds, Cultuur en Ondernemen en het Duurzaamheidsfonds van de gemeente Amsterdam. De gemeente heeft ons ook nog eenmalig €550.000 gegeven omdat wij een impuls geven aan een buurt waar een groot gebrek is aan cultuuraanbod. Ook waren we zeer blij met de bijdragen van twee private fondsen, het Zadelhoff Cultuurfonds en BPD Cultuurfonds.”
Wat hielp bij het aanvragen van de banklening is dat Walravens Rialto De Pijp kon aanbrengen als onderpand. “Wij hebben dat pand gekocht in 1997 – iets wat ik iedere culturele instelling van harte kan aanbevelen. De meerwaarde werkte nu als hefboom in de gesprekken met de bank.”
Rialto De Pijp is sinds de start ruim veertig jaar geleden “op bijna iedere centimeter wel een keer verbouwd” en werd uitgebreid van twee naar drie zalen. “Daardoor konden we ieder jaar nog een stukje groeien”, volgens de directeur. “Maar dat houdt een keer op. En subsidie is geen harde zekerheid, dus doe je er als filmtheater goed aan om te kijken naar andere stadsdelen waar het filmaanbod nog beperkt is. We zijn eerst met de Vrije Universiteit in zee gegaan om Rialto VU te realiseren. En toen we in de voorontwikkeling daarvan zaten, kwam Silo voorbij.”

Op het Zeeburgereiland heeft Rialto zich echt in een groeimarkt genesteld. De komende jaren wordt in dit deel van Amsterdam nog stevig doorgebouwd, tot er in totaal 85 duizend mensen wonen. “Dat is toch een middelgrote stad in de orde van grootte van Hengelo, Hilversum of Leeuwarden”, vat Walravens de potentie samen. “Nu wonen hier nog vooral gezinnen met kinderen en daar zullen we in de beginjaren ons aanbod op aanpassen: meer kinder- en familiefilms dan in Rialto De Pijp. De basis blijft natuurlijk een programmering met Rialto-DNA: auteursfilms van overal ter wereld. Maar over tien of vijftien jaar neemt het aantal 65-plussers toe en zullen we anders gaan draaien. De programmering volgt de demografische ontwikkeling van de buurt.”
Wat Walravens geleerd heeft van Rialto VU is: altijd goed contact houden met buurtbewoners. “Het helpt dat onze hoofd van de keuken en head of service hier in de Sportheldenbuurt wonen en veel vrijwilligers afkomstig zijn van IJburg. Zo houd je de vinger aan de pols. Zo hoorde ik laatst dat er hier veel Brazilianen wonen. Dat schept mogelijkheden voor bijvoorbeeld een Braziliaans filmfestival of een programma met Portugeestalige films.”
Maar met dat soort plannen loopt Walravens op de zaken vooruit. Eerst wil hij de deuren openen en de reguliere programmering op gang krijgen. Voor 2027, het eerste volledige operationele jaar, mikt hij op 70 tot 80 duizend bezoekers. “Maar”, zo zegt hij, “er zit volgens mij wel meer in.”