Carte postale de Cannes 7

  • Datum 21-05-2013
  • Auteur
  • Deel dit artikel

La grande bellezza

De Filmkrant doet elke dag verslag van het 66ste Filmfestival Cannes. Met vandaag Ronald Rovers over Paolo Sorrentino’s grandioze, gitzwarte La grande bellezza.

Rome is dood. Met die woorden in steen gehouwen opende gisteravond Paolo Sorrentino’s 2,5 uur durende La grande bellezza, een dronken, gulle, swingende, extravagante, zichzelf tackelende reis naar het einde van de nacht over ouder worden, weemoed en de schitterende holle pretenties waarmee we ons onderweg daarheen wapenen. La grande bellezza is niet een verhaal maar een gevoel. Een sprekend tableau vivant van 144 minuten.

Wat een brille en bravoure. Sorrentino is een maker met grote ambities. Een die niet bang is dampende techno op de soundtrack af te wisselen met Gorecki’s derde symfonie of andere lam gedraaide klassieke muziek. Een maker vooral die met z’n pretenties op de rand van holle retoriek durft te balanceren. Daar hoort bij dat iemand grandioze vergissingen maakt, zoals Sorrentino deed toen hij Sean Penn als een rainman op de xtc op een Holocaustroadtrip stuurde in This Must Be The Place. Maar Il divo was briljant: een halve eeuw schimmige Italiaanse politiek als een slowmo opera met de onlangs gestorven christendemocraat Andreotti als ongenaakbaar stralend middelpunt.

Stralend middelpunt hier is Jep Gambardella, zelfverklaard koning van de Romeinse high society en socialite extraordinaire, die net na de theatrale openingsscène z’n vijfenzestigste verjaardag viert. Een Paris Hilton met humor en ballen, kun je zeggen, die de kunst van de zelfreflectie wel verstaat. Weer gespeeld trouwens door de oneindig plooibare fysiek en gelaatstrekken van Tony Servillo, die na pakweg vijf, zes Sorrentino films de oudste muze van de filmwereld moet zijn. In ieder geval de oudste mannelijke muze. Gambardella teert na tientallen jaren nog steeds op de roem van zijn succesroman Het Menselijk Apparaat. Waarom hij ondanks dat succes nooit een tweede boek schreef, is de kwestie die als een running gag door de film loopt. Omdat hij grote schoonheid zocht, zegt Gambardella, maar nooit meer vond. Hij liegt, want hij heeft haar wel gevonden. Maar ze ontglipt hem opnieuw, nadat z’n eerste grote liefde jaren geleden ook al uit zicht verdween. Waarom, wil Gambardella weten van de man waar ze wel 35 jaar mee samenleefde. Waarom liet ze hem in de steek? Die vraag leidt de kijker naar de emotionele kern van het verhaal.

Zo maar wat dingen die passeren:
high society botox-avonden waar de elite voor 700 euro een shotje kan laten zetten
failliete adel die te huur is om op feestjes indruk te maken op je vrinden
een gestrand cruiseschip gekapseisd voor de kust. Wel een metafoor voor het failliet van een decadente partymaatschappij, geen verwijzing naar Godards Film, socialisme
een pose van een vrouw op een bed die het midden houdt tussen Brigitte Bardots derrière in Godards Le mépris en dat van Jill Masterson in Goldfinger. Sorrentino’s films omvatten die hele breedte.

Marcello Mastroianni speelde in Fellini’s La dolce vita een luie journalist in Rome op zoek naar liefde en verlichting van z’n kabbelende bestaan. Sorrentino maakte daar een eenentwintigste eeuwse, sarcastische, gitzwarte variant op. Niet de nihilistische versie waarvoor sommigen de film zullen houden maar een geëvolueerde, doorleefde versie. Een die niet eens meer pretendeert iets zinnigs te vertellen. ‘I don’t deal in what lies beyond’, laat Sorrentino een personage zeggen. Maar het is ook een versie waarin religie en erotiek naar goed Romeins gebruik nog steeds innig met elkaar verstrengeld zijn. Want roots zijn belangrijk, proclameert een heiligverklaarde non op de rand van de dood. Humor.
Wat in This Must Be The Place niet lukte, onder alle visuele bombast emoties voelbaar maken, lukt hier wel. Als collectivisme is Rome dan misschien dood, de individuele bewoners leven wel degelijk. Gambardella lijkt even ongenaakbaar als andere Sorrentino personages, maar onder die metersdikke zelfverdediging wordt het eigenlijke verhaal voelbaar. Een verhaal over gemiste kansen, the road not taken, maar ook over het besef dat andere keuzes misschien niet eens zoveel verschil hadden gemaakt, zoals Frost sarcastisch in de laatste zin van z’n gedicht suggereerde. Punt is: de schrijver zal het nooit weten. Dan maar feest vieren dus. Rome is dood. Lang leve Rome. Vier sterren. Viereneenhalf als het had gekund.

Ronald Rovers