Orwa Nyrabia over IDFA 2020

'We denken niet alleen aan onszelf als festival'

Orwa Nyrabia tijdens de persconferentie over IDFA 2020. Foto: Coen Dijkstra/IDFA

Het grootste documentairefestival ter wereld ging woensdag 18 november van start. Weliswaar met zeer beperkte fysieke capaciteit, maar dat maakt de ambities van IDFA er in 2020 niet kleiner op. Directeur Orwa Nyrabia reflecteert op dit belangrijke, uitdagende, maar ook verrijkende festivaljaar: “Wat we nu met elkaar meemaken zal nog jaren kosten om te ontleden, analyseren en overpeinzen.”

Het moet een bewogen jaar zijn geweest voor IDFA-directeur Orwa Nyrabia en zijn festivalteam, dat open moet staan voor allerlei ad-hoc veranderingen. Op de valreep gaan de bioscopen en filmtheaters toch op tijd weer open voor het fysieke filmprogramma van IDFA, dat van 18 november tot en met 6 december niet alleen wordt gehouden in Amsterdam, maar via het IDFA Extended-programma ook in tientallen andere Nederlandse filmtheaters neerdaalt. En natuurlijk gaat IDFA online, waar voor velen vanwege de coronamaatregelen het zwaartepunt van het festival zal liggen.

Ondertussen zette IDFA achter de schermen al allerlei veranderingen in gang die niets met corona te maken hebben en alles met een meer inclusieve, diversere en veelzijdigere beleving van documentaire cinema. Zo ondertekende Nyrabia in 2018 de ‘5050×2020 Pledge’, een belofte om in 2020 een gelijke verdeling te hebben tussen man en vrouw in de filmprogrammering. Ondertussen poogt IDFA ook een meer toegankelijk platform te worden voor films, makers en publiek door de functionaliteiten van de website en de verschillende takken van de organisatie gedurende het jaar uit te breiden. Uiteindelijk wil IDFA op die manier het culturele speelveld eerlijker, gelijkwaardiger en rechtvaardiger maken. “Het is de uitdaging van dit moment”, vertelt Orwa Nyrabia een week voor het festival via Skype.

De voor de hand liggende vraag is hoe u de organisatie heeft aangepast ter voorbereiding op mogelijke nieuwe coronamaatregelen. De kans op plotse verschuivingen blijft aanwezig. Hoe bereidt uw team zich daar op voor? “Dat is zo’n beetje de grootste vraag in de wereld, die we voor onszelf constant opnieuw moeten beantwoorden. We hebben de belofte gemaakt dat we ons houden aan de maatregelen zoals die gelden voor bioscopen en filmtheaters. Dit betekent dat we flexibel zijn en afwachten wat mogelijk is. Vooralsnog gaan de bioscopen 19 november weer open, maar we zijn er volledig van op de hoogte dat alles plots kan verschuiven. Hoe dan ook, we hebben onze filmtheaterpartners en onze filmmakers beloofd dat we niet alleen aan onszelf denken als festival. We maken deel uit van een ecosysteem. Elke beslissing die we maken, bijvoorbeeld om het programma volledig naar online te verhuizen, maken we samen met de andere ‘aandeelhouders’ in dit systeem. We hebben nu een geweldig online aanbod en we doen er alles aan om het zo vlekkeloos en aangenaam mogelijk te presenteren, voor zowel het publiek als de makers. En als het kan vinden de premières gewoon plaats in het filmtheater.”

In uw persconferentie liet u weten dat u de ambitie heeft om de website van IDFA anders in te steken en het te laten uitgroeien tot een belangrijk platform voor documentaire cinema. Zijn die ambities ook gemotiveerd door corona en de rol die het internet nu speelt in tijden van lockdowns? “Het stamt al van voor corona en gaat niet alleen om ons online platform, maar ook om IDFA als instituut dat de documentaire op verschillende manieren ondersteunt. We willen benadrukken dat IDFA zoveel meer is dan alleen een festival in november. Ja, we zijn een organisatie die elk november een groot festival houdt, maar gedurende de rest van het jaar ondersteunen we makers, films en het publiek óók. Wat covid-19 hieraan heeft toegevoegd is een groter besef van waarom we doen wat we doen. Het heeft ons geholpen om beter na te denken over waar we ons voor inzetten. We zijn fantasierijker en meer gemotiveerd onze doelen te bereiken.”

Ik kan me voorstellen dat veel documentaires inmiddels al reflecteren op covid-19. Zocht u naar zulke films en spelen ze een rol in het programma? “We hebben er maar twee geselecteerd, in verhouding veel minder dan andere festivals. We zijn met actuele onderwerpen altijd erg selectief, omdat we de documentaire eerder zien als onderdeel van cinema en niet van de nieuwsmedia. Zoals de lezers van de Filmkrant ongetwijfeld weten, zetten we ons bij IDFA in voor documentaires met serieuze filmische ambities: we zoeken goede films, geen reflectie op het nieuws van gisteren. Er is natuurlijk grote vraag naar documentaires die onmiddellijk reflecteren op corona, maar onze ervaring leert dat die eerste films vaak de slechtere films zijn. Zo’n snelle productie wordt eerder pragmatisch of propagandistisch. Overigens denk ik dat er nog jaren films zullen worden gemaakt over 2020. Wat we nu met elkaar meemaken zal nog jaren kosten om te ontleden, analyseren en overpeinzen. De twee films die we gekozen hebben, The Ark uit China en Hello Grandma uit Polen, reflecteren in ieder geval wel op een zeer eigenzinnige manier op corona.”

In 2018 ondertekende IDFA de ‘5050×2020 Pledge’, een belofte om in 2020 een gelijke verdeling te hebben tussen man en vrouw in het programma. Hoe reflecteert u op dit proces? In de persconferentie liet u bijvoorbeeld weten dat het Masters-programma nog niet helemaal gelijkwaardig is. Merkt u dat de ongelijkheid nog altijd groter onder gevestigde makers? “Laat ik het zo stellen: dit gaat niet alleen om gender. Het is een kwestie van rechtvaardigheid. Het gaat om filmmakers uit ondergerepresenteerde regio’s, om minderheden overal op aarde en natuurlijk ook over vrouwelijke makers en LGBTQ+-makers. Allemaal groepen die door de industrie werden genegeerd. Ik zeg erbij dat het in de documentairewereld vaak erger is dan in de fictiewereld. Er zijn talloze voorbeelden van Europese filmmakers die documentaires draaien in Afrika, Zuid-Amerika of Azië en daarmee geselecteerd worden voor filmfestivals, terwijl makers uit die respectievelijke regio’s zelf genegeerd worden. Dat besef, en het besef van de sekseongelijkheid in de filmindustrie, zijn simpelweg onderdeel geworden van ons programmeringsproces. Er was geen twijfel over mogelijk dat we 5050×2020 zouden halen. We hebben zelfs een ‘schaamdrempel’ in het leven geroepen van 40%. Als we slechts die drempel zouden halen zouden we ons diep schamen.”

Er zijn genoeg festivals, bijvoorbeeld die van Cannes en Venetië, die geen enkele schaamte kennen op dit gebied. “Ik snap het, maar ben het er niet mee eens, dat meer conservatieve tempels van de filmindustrie zoals Cannes en Venetië denken dat ze er niets aan kunnen doen omdat ze aan het einde van de filmpijplijn zitten. Dat zitten wij ook, maar je kan dit onrecht op elk punt in de pijplijn rechtzetten. Als we aan het einde van de pijplijn werken aan dit onrecht, zal het begin zich ook moeten aanpassen. Soms wordt me gevraagd of dit geen vorm van censuur is, een vraag waar ik altijd van schrik. Ten eerste: er zijn niet minder kwalitatieve films van regisseurs die geen man zijn. Ten tweede: het aantal mannelijke regisseurs dat kan leunen op imago en merknaam is nog altijd aanzienlijk. Dat willen we gestaag gaan rechtzetten, niet alleen in onze vertoningen, maar ook in welke films we financieren, de workshops die we geven en andere manieren waarop we ons inzetten voor de documentaire. Ik denk dat die uitdaging het culturele werk van nu moet gaan definiëren.”

Toch blijft het lastig die balans te behouden. IDFA’s hoofdgast van dit jaar, Gianfranco Rosi, is óók een Europese regisseur die in het Midden-Oosten een film maakt over de oorlog daar. Ik snap die keuze overigens heel goed, want Rosi’s Notturno is een geweldige film. “Hier hebben we dus ook jullie hulp bij nodig; wij kunnen dit werk niet alleen doen. Als we Gianfranco Rosi als hoofdgast uitnodigen wil iedereen in de Nederlandse daar meteen over schrijven, maar als we een nog onbekende, maar even meesterlijke vrouwelijke regisseur introduceren blijven zulke reacties vaak uit. We moeten werken aan een systeem waarin iedereen op elkaar kan vertrouwen om het beter te doen. Hoe praten we over dit soort dingen? Hoe erkennen we het? Dit is een lastige kwestie waar ik met iedereen over na wil denken.”

U bent sinds 2018 directeur van IDFA. Daarvoor werkte u als onafhankelijke filmproducent. Zijn de verschuivingen die u zoekt al merkbaar? En is uw perspectief op de industrie erdoor veranderd? “Zeker weten, maar is heb nog geen kans gehad om daar dieper over na te denken. Natuurlijk is mijn perspectief op de industrie veranderd, alleen al omdat ik veel meer open moet staan voor allerlei partners om mee samen te werken. Als onafhankelijke filmproducent zijn die keuzes veel beperkter. Mijn perspectief op de industrie wordt complexer en daardoor waardeer ik er meer aspecten van.”

Waar gaat dat u de komende jaren nog heen leiden? “Geen idee. Dat moet je me over een paar jaar maar vragen. Het zal hoe dan ook een ontzettend lang antwoord worden!”