Martijn Maria Smits en Sander Burger over hun nieuwe films

Die familie van om de hoek

  • Datum 04-01-2016
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Martijn Maria Smits

rosetta mag dan volgens de critici die hun mening geven in de Filmkrantkruisjeslijst zijn uitverkoren tot de film van het decennium: nieuwe Nederlandse filmmakers als Martijn Maria Smits en Sander Burger laten zich ook weer door dit ‘nieuwe’ neo-realisme inspireren. Twee IFFR-premières. Twee filmmakers die hun films gewoon om de hoek vinden.

Martijn Maria Smits (1977) is een tikje ongrijpbare filmmaker. Letterlijk. Nadat hij in Buenos Aires korte tijd onvindbaar bleek en vervolgens gestrand was in Madrid, spreken we Smits ten slotte in een geluidsstudio in Amsterdam over zijn film c’est déjà l’été, geselecteerd voor de Tigercompetitie van het Filmfestival Rotterdam.

Indrukwekkend hoor. De Tigercompetitie, dat is voor grote filmmakers. Zo voel ik me helemaal niet. Ik was eigenlijk liever kunstenaar geworden, maar ik kan niet schilderen.

Na je kortfilm anvers, die een Gouden Kalf won voor beste tv-drama, heb je opnieuw een speelfilm gemaakt over een disfunctioneel gezin uit de Belgische onderklasse. Je lijkt een fan van de gebroeders Dardenne? Klopt, dat zijn zeker mijn idolen. Veel mensen zeggen dat mijn films daarop lijken, maar er zijn echt wel veel verschillen. Om te beginnen werken de Dardennes met acteurs en wij met echte mensen, gebruiken zij geen muziek en ik wel…

…je hebt nota bene gedraaid in de Waalse stad Seraing, precies de plek waar de Dardennes de film rosetta hebben opgenomen. Ik heb ze benaderd om coproducent te worden, maar ze waren te druk. Ze vonden het niet erg dat ik daar ook ging draaien.

Wat is er zo speciaal aan deze plek? Het is echt een industriestad, samen met Charleroi de meest problematische stad in België. Wat mij aantrekt is de nostalgie in de mensen over hun werk, het arbeidersbestaan. De inwoners van Seraing zijn voornamelijk bezig met overleven. Als er al een uitweg uit hun ellende zou zijn, zouden ze die niet eens zien.

Wat fascineert je aan die lelijkheid? In de film dient de droefgeestige omgeving om emotie te verbeelden. Dat is nodig, omdat de hoofdrolspelers niet kunnen acteren. Mijn acteurs heb ik van de straat geplukt in Seraing, zoals het jongetje Benjamin. Alleen de rol van de vader en zijn tienerdochter worden door professionele acteurs gespeeld.

Hoe trof je die personages? Ik heb er zelf negen maanden gewoond om de film te ontwikkelen en het scenario te schrijven. In het café in de film kwam ik vaak om pintjes te drinken. Zo heb ik vriendschap gesloten met wat mensen. Ik heb acteur Patrick Descamps gewoon tussen de dronken mensen aan een tafeltje gezet en we begonnen met draaien.

Waarom gebruik je die mengvorm van documentaire en fictie? Ik ben op de academie begonnen met documentaire, maar ik werd gefrustreerd als het onderwerp minder spannende dingen deed dan ik wilde, waardoor het een betere film zou worden. Toen ben ik overgestapt op fictie. Die mengvorm geeft me een kick. Als Patrick het café verlaat, is er bijvoorbeeld een man die hem spontaan tegenhoudt. De meeste cafébezoekers vergaten de camera, vergaten dat hij een acteur is.

De familie in c’est déjà l’été leeft compleet langs elkaar heen, het stemt niet echt hoopvol. Ben jij zo pessimistisch over familierelaties? Ik vind gezinnen erg interessant: het gegeven dat je met elkaar samen woont en eet, maar niet noodzakelijkerwijs een sterke band hebt. Het filmpubliek vindt ook dat de familie in de film een verkeerd leven leidt, maar dat zegt meer iets over het publiek zelf: hoe burgerlijk zijn zij dan? Het leven is nu eenmaal geen rozengeur en maneschijn.

Je hebt in Antwerpen gestudeerd en filmt in België en Duitsland. Beschouw je jezelf als Nederlandse filmmaker? Ja, absoluut! Ik kom uit Breda, ik ben helemaal Nederlands.

Zou je deze film kwalificeren als Waalse cinema? Ik wil mezelf best daaronder scharen. Ik hou van sociaal-realisme, misschien is het een nieuwe stroming van ‘neo-realisme’. Daar ben ik blij mee, lekker terug naar Jean-Luc Godard en Roberto Rossellini.

Er is wat discussie gerezen over de identiteit van de Nederlandse film, de makers van tramontana en nothing personal weken uit naar respectievelijk Spanje en Ierland om hun films te draaien. Dat is vast de Nederlandse handelsgeest: met een knapzak de wijde wereld in en portretten maken. Ik heb wel geprobeerd om in Rotterdam te filmen, maar de mensen waren zo agressief. Nederland is te vertrouwd voor mij, in het buitenland ga ik me weer verwonderen. Ik wil wel een heel oeuvre opbouwen van films met een stad als titel — op deze film na, dan.

Een ‘familiedrama’ in zijn woonplaats Hilversum, waar in 2008 een man zijn gezin en zichzelf van het leven beroofde, maakte grote indruk op filmmaker Sander Burger (1975). In zijn tweede speelfilm hunting & zn., in première op het Filmfestival Rotterdam, onderzocht Burger de meest gestelde vraag: hoe kan een doodgewoon gezinslid tot zo’n extreme daad komen?

Sander Burger

Vertel. Dat gezin woonde bij mij om de hoek. De man had twee weken voor zijn daad nog zijn dienstpistool op school laten zien in de spreekbeurt van zijn zoontje. De meeste mensen denken gelijk ‘daar moet iets mis mee zijn’, ook in films betreft het meestal psychopaten. In hunting & zn. wilde ik een karakteronderzoek doen en laten zien dat extreme daden ogenschijnlijk uit het niets kunnen gebeuren.

De radicale wending in de film komt vrij onverwacht. Hoofdpersoon Tako heeft geen grip meer op het gedrag van zijn vrouw, haar eetstoornis is een gevaar voor haar zwangerschap. Hun relatie is verder een sleur, ze houden beiden de schijn op, gedragen zich een beetje kinderachtig. Daarom komt die uitbarsting: Tako kan het probleem kennelijk niet op een volwassen manier oplossen. De eerste versie van de film was veel explicieter, met meer achtergrondinformatie over het verleden van Tako. Maar ik wilde het niet te makkelijk maken, anders kijk je naar een thrillerachtig verhaaltje. In het echte leven is het zo vaak onduidelijk wat iemands motieven zijn.

hunting & zn. is na olivier etc. je tweede film als regisseur, terwijl je bent opgeleid als producent. Beviel het produceren niet? Ik vond dat ik te weinig bagage had om te beginnen met de regie-opleiding, dus heb ik gekozen voor productie. Dat was een gelukkige keuze: met produceren heb ik heel veel geleerd. Uiteindelijk wilde ik natuurlijk wel regisseren en toen zei iemand uit mijn jaar: als je dat echt wil moet je NU regie gaan doen, anders kom je nooit meer van het stempel ‘producent’ af. Toen heb ik voor 200 euro een korte film gemaakt, koen, …

…200 euro? Ja, de kosten van het tapeje en de catering. Dankzij de digitale revolutie kun je makkelijk voor een paar honderd euro je eerste korte film draaien. koen werd genomineerd voor de NPS Kort Prijs. Toen dacht ik ha, nu nemen ze me serieus. Maar toen gebeurde er niets.

Wat had je verwacht? Normaal kom je met een goede eindexamenfilm van de academie en dan rol je bijna vanzelf wel door. Maar ik kwam daar niet meteen tussen. Ik heb het script van olivier etc. aangeboden bij het fonds, dat werd afgewezen. Toen ben ik het zelf gaan maken.

olivier etc. is goed ontvangen, ben je dan niet kwaad op het Filmfonds? Welnee, ik snap ook wel dat het fonds meer wil zien dan één kortfilm op je cv. Uiteindelijk mocht ik spullen gebruiken van Stan Schram, ik castte acteurs Dragan Bakema en Maria Kraakman en die vonden het een mooie kans om een hoofdrol te spelen.

Je hebt samen met de twee hoofdrolspelers het script geschreven — nogal ongebruikelijk. Ik begrijp niet dat niet meer regisseurs dat doen. Ik kan me niet voorstellen om een scenario te schrijven waarbij ik geen idee heb wie de rol moet spelen. Maria doet veel theater, daar is het heel normaal om samen het verhaal te ontwikkelen. Maar het is ook wel fijn om met een scenarioschrijver te werken, merk ik nu.

Ga je met Maria en Dragan een filmische drie-eenheid vormen? Nee! Hoewel Dragan onlangs wel met een nieuw idee is gekomen, maar ik wil nu een film maken zonder hen, om te bewijzen dat ik ook op eigen benen kan staan.

En passant snijd je in de film ook thema’s als materialisme en leven in de middenklasse aan. Gaan we dat vaker zien in je films? Nou, ik denk nu na over het verhaal van een gevluchte Russische pianist, toch heel wat anders. Ik laat alles open, ik wacht tot ik een interessant verhaal tegen kom. Wel blijf ik me storen aan stellen om me heen die het enkel nog over hun broodbakmachine hebben, gevangen in sleur, niet meer echt met elkaar kunnen praten. De laatste zin van Tako is ‘help’. Had hij dat maar halverwege de film help geroepen.

Olga van Ditzhuijzen