Bertrand Bonello over Zombi Child

‘Als je hier met een camera komt, is het alsof je met een geweer binnenloopt’

Zombie Child

Het lijkt er op dat Zombi Child niet in Nederland uitgebracht gaat worden, behalve een aantal vertoningen tijdens het afgelopen IFFR. Helaas was dat ook al een probleem bij Bertrand Bonello’s vorige film Nocturama, dat uiteindelijk alleen een plek vond in Eye’s Previously Unreleased-programma. Terwijl Bonello toch echt een van de grote talenten van de Europese film is. In elke film weet hij onverwachte invalshoeken te vinden, in elke film verrast hij met een zeldzaam complexe kijk op wat we al dachten te kennen.

Bertrand Bonello houdt van contrasten. Achter de schermen onder de vrouwen in L’Apollonide, tegenover het theater dat wordt opgevoerd als de gasten eenmaal binnenkomen. De intimiteit onderling versus het spelen met vertrouwen. De mannen die buiten de deuren van het ‘House of Tolerance’ hun façades ophouden maar achter deze deuren alle decorum laten gaan. De leugens die hier plotseling waarheid lijken omdat het fijn is om er een nacht lang in te geloven. Maar altijd is er toch die afhankelijkheid.

Bonello kiest voor werelden die niet de zijne zijn. Nocturama speelde zich af onder jongeren in Parijs. In de eerste helft van de film voeren ze een strak geplande actie uit en plegen ze door de hele stad aanslagen. In de tweede helft, het is inmiddels avond en de nacht begint al snel, verschansen ze zich in een enorm warenhuis. Dag en nacht. Het verzet dat hen motiveerde om de aanslagen te plegen, maakt plaats voor volgzaamheid als het gaat om modieuze kleding die ze stelen. Of bestaan die twee juist naast elkaar? Het een hoeft het ander immers niet uit te sluiten. Aan de andere kant: in hoeverre is dat verzet een act of een pose? Principes zijn immers niet hetzelfde als principeloosheid. Je kunt niet alles zomaar met elkaar gelijkstellen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat inzicht in de ware aard van de consumptiemaatschappij slechts in een deel van hun leven tot handelen leidt terwijl ze in het andere deel volgzame consumenten zijn.

Zombi Child snijdt al even complexe materie aan, in de vorm van een historisch en modern verhaal over voodoo. Het contrast zit in de twee verhalen die parallel verteld worden. In het ene zijn we op Haïti in 1962. Volgens de overlevering is daar toen een man begraven na vergiftigd te zijn. De familie was er echter ingeluisd. De man leek alleen maar dood, zodat hij kort na de begrafenis als zombie weer naar boven kwam en gratis aan het werk gezet kon worden. Die man heette Clairvius Narcisse, de grootvader van Melissa, die de hoofdrol speelt in het tweede verhaal, dat zich in hedendaags Parijs afspeelt. Haar tante praktiseert nog steeds de voodookunst en Melissa, zich nauwelijks bewust van hoe ze om moet gaan met haar culturele erfenis, vertelt dat aan twee vriendinnen. Dat zal grote gevolgen hebben. We spreken Bonello in Cannes, waar in 2019 opvallend veel zombies door het programma waarden.

Dit is een film over kolonialisme, over uitbuiting, over vriendschap, over de verhoudingen onder tieners. Hij speelt zowel in 1962 als in Parijs 2020 en is het trouwens niet ook de eerste keer dat iemand voodoo en zombies samen in een film stopt? “Ik geloof het wel ja. Deze film is echt van alles: er zit een geschiedenisles in, het is een genrefilm met zombies, soms lijkt het een etnografische documentaire. En het is een tienerfilm.”

Reflecteren de zombies voor u de werkelijkheid? “Natuurlijk. Dat is juist het punt van veel zombiefilms: dat mensen veranderen en veranderd worden in hersenloze automaten die hun taak tot in lengte van dagen repetitief en kritiekloos uitvoeren en geen idee hebben wat goed voor ze is.”

Zoals hier in Cannes in openingsfilm The Dead Don’t Die van Jim Jarmusch. “Ja, maar die is heel heel uitgesproken over z’n politieke ideeën. In het begin staat ergens een tv te loeien over een of andere natuurramp zodat je precies weet wat er aan de hand is. Het is allemaal behoorlijk volgens het boekje. Mijn film is abstracter omdat niet zo makkelijk te zeggen is wat de koloniale erfenis is.
“Ik heb een verhaal uit 1962 gebruikt, toen een man volgens de overlevering vergiftigd werd, zogenaamd stierf, door de familie begraven werd en later door slavendrijvers weer werd opgegraven om aan het werk gezet te kunnen worden. Daartegenover staat zijn kleindochter Mélissa die in onze tijd op een Parijse kostschool gaat studeren, en verklapt dat ze een tante heeft die voodoo beheerst. Hoe verder we in het verhaal komen, hoe complexer het wordt. Die twee werelden, verspreid over de aarde en verspreid in de tij, leveren een mooi contrast. Net als in Nocturama schuilen onder alles die basale contrasten: tussen licht en donker, tussen vrijheid en geslotenheid.”

Er heerst een flink debat over culturele toe-eigening. U bent een Fransman en u gaat filmen op Haïti. Zag u bezwaren? “Dat is een urgente en actuele kwestie en ik heb er bijna elke minuut dat ik met de film bezig was over nagedacht. Vanaf het moment dat ik ging schrijven, tot op dit moment in Cannes, als we over de film praten. Het is gecompliceerd maar je moet jezelf hierover als maker ondervragen. Ik heb in ieder geval geprobeerd de film een heel Frans perspectief te geven. Het is geen film die alleen op Haiti speelt. Je hebt ook het perspectief van de kostschool in Parijs. Je hebt het perspectief van het Haïtiaanse meisje dat naar Parijs komt, die nog niet weet wat ze met haar eigen verhaal moet doen. En je hebt het perspectief van de witte meiden op de kostschool. Met al die perspectieven had ik het gevoel dat ik goed zat.”

Het voelde geen moment alsof u een grens over ging. Ik zag geen exotisme. “Dat is goed om te horen, want het was moeilijk om in Haïti te filmen. Veel mensen raadden het me af. Ga gewoon ergens anders filmen, was hun advies. Maar om ethische redenen wilde ik naar Haïti. Als je een Haïtiaans verhaal vertelt moet je in Haïti filmen. En natuurlijk moest ik mezelf daar uitleggen: waarom kwam ik, een Fransman, wit, filmen in Haïti? Waarom wilde ik iets doen met hun zombies, die een belangrijk deel van hun geschiedenis zijn, van hun culturele verbeelding? Ik heb daar veel gesprekken over gehad.”

Wat zei u om mensen in Haïti te overtuigen? “Ik had niet al te veel kennis toen ik arriveerde. Maar ik leerde. Toen ik het verhaal vertelde, over de kostschool en hoe de zombies in de rest van de film pasten, begreep men dat ik niet zomaar een zombiefilm kwam maken. Ik luisterde ook veel naar adviezen. Over mijn perspectief op het verhaal. Men zag dat ik het begreep. Maar het was zeker belangrijk. Iemand zei tegen me: ‘Als je hier met een camera komt, is het alsof je met een geweer binnenloopt.’ Men is bang. Het voelt voor de Haïtianen alsof je iets weg komt stelen.”

Zo voelt men het echt? “Ja. Het is anders dan wanneer een Haïtiaanse maker in Parijs zou komen filmen. Voor de Fransen zou dat alleen maar fijn zijn: weer een nieuwe, andere blik op iets wat wij zelf al zo vaak gefilmd hebben. Maar een Franse maker op Haïti komt vanuit een koloniale verhouding die teruggaat tot 1697. Daar moet je je van bewust zijn.”

Als er zo’n grote weerstand bestaat tegen buitenlandse filmmakers die in Haiti komen filmen, waarom was dat dan toch nodig voor u? Waar kwam uw overtuiging vandaan? “Omdat ik aan het zoeken was naar een mogelijkheid om een film in en ander land te maken en dit verhaal over de oorspronkelijk Haïtiaanse zombie raakte me en bracht me veel vragen. Het was een perfecte manier om over slavernij te praten, over Frankrijk en de koloniën, wat iets is waarover in Frankrijk zelden wordt gesproken.”

U stopte ook een paar kleine lezingen in de film waarin kijkers iets over de achtergrond te horen krijgen. Zoals de docent die praat over de revolutie voor meer vrijheid die de Fransen eigen land uitvochten terwijl ze de koloniën er wel onder wilden houden. “Die geschiedenisles heb ik niet geschreven. Ik heb contact gezocht met een beroemde Franse historicus en ik vroeg hem: kun je een les maken over het liberalisme in de negentiende eeuw? Toen ik die woorden voor de eerste keer hoorde, was het echt een cadeau. Het schijnt een groot licht op de film.”

Wat denkt men in Haïti eigenlijk van de westerse verbeelding van zombies? “Men houdt daar niet van. In zekere zin wordt in het buitenland geld verdiend met hun cultuur, door mensen die niets met Haïti te maken hebben. De Amerikanen hebben in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw Haïti geplunderd door al het hout te kappen en naar Amerika te verschepen. En even later komen ze de Haïtiaanse cultuur halen om te verbasteren en internationaal te verpatsen. Natuurlijk zijn die mensen kwaad.”

Zijn de zombies een beetje als Weerasethakuls’ geesten in Thailand die zich tussen de levenden bewegen? “Precies, je ziet ze niet. Het is een culturele aanwezigheid, een geloof.”

Toch stopte u een scène in de film waarin ze tussen de wortels van een boom verstopt zitten. Eerst zie je ze niet en dan plotseling wel. “Het is alsof ze daar tussen nacht en dag zitten, tussen leven en dood.”

Het benadrukt ook dat ze zich in het volle daglicht verstoppen. “Precies.”

Vindt u dat men in Haïti in het verleden leeft? “De meeste mensen geloven in zombies. Dat zijn de verhalen die ze cultiveren. Maar daar praten ze zelden over met buitenstaanders.”

Bijna als de Fransen die weigeren over hun kolonialisme te praten. “In Frankrijk bestaat bij veel mensen schaamte om het over die uitbuiting te hebben.”

Terwijl de Fransen zich doorgaans zeer bewust zijn van hun geschiedenis. “Nou, ja, de discussie begint op gang te komen.”

Dus u wilde een zwaai aan die discussie over kolonialisme geven zonder er hardop over te willen praten? “Haha, precies.”