Annecy 2026: Nieuw animatiemuseum

Een viering van technieken

Datum
25-06-2026
Auteur
Lees meer over

Materiaal van Planète sauvage en vertoning Song of the Sea in het Musée du Cinema d’Animation, Annecy. Foto: KEES Driessen

Het nieuwe animatiemuseum in Annecy, waar ook al het belangrijkste animatiefestival ter wereld plaatsvindt, roemt de vele technieken die animatoren gebruiken in hun creaties. Maar de inhoudelijke kant van de kunstvorm blijft daardoor onderbelicht.

Als de stad van het belangrijkste animatiefestival ter wereld een permanent animatiemuseum opent (het Musée du Cinéma d’Animation) is dat nieuws. En is de eerste vraag: hoe zien we animatie tegenwoordig?

Het grappige is, dat ze in Annecy op een niet een heel ander antwoord uitkomen dan de kleine Animatiegalerij die Eye vorig jaar opende: het vieren van de zeer verschillende technieken waarmee animatie gemaakt wordt.

Dat begint al met de eerste naam die wordt genoemd in de vaste presentatie van het museum (dat ook twee tijdelijke tentoonstellingen huisvest): Christiaan Huygens, als uitvinder van de toverlantaarn. En nu we het toch over Nederlanders hebben: ook Michael Dudok de Wit (met animatiecels van Le moine et le poisson, 1994, en fragmenten uit The Red Turtle, 2016) en Co Hoedeman (met een fragment uit Le théâtre de Marianne, 2004) komen voorbij – en wie weet heb ik nog wat gemist in de ontelbare clipjes op de vele beeldschermen.

Huygens behoort tot de vroege voorlopers van de animatiecinema, waarvan de apparaten vrij traditioneel museaal worden gepresenteerd. Met als pronkstuk het Théâtre Optique waarmee de Franse pionier Émile Reynaud in 1888 de eerste “publieke vertoning van bewegende tekeningen” schiep. Niet traditioneel is dan weer dat de curatoren het werk van moderne kunstenaars gebruiken om de werking te demonstreren van mechanieken als de fenakistiscoop (Theodore Ushevs Demoni, 2012), thaumatroop (Robert Breers Dot-Dash, 1964) en zoötroop (meerdere stroken door Regina Pessoa). Daarmee worden deze apparaten uit de prehistorie van de cinema herontdekt als inspirerende technologieën.

Pinscreen van Alexandre Alexeïeff en Claire Parker. Foto: KEES Driessen

De rest van de presentatie negeert chronologie en richt zich met name op de enorme verscheidenheid aan technieken waarmee animatie wordt gemaakt. Soms aan de hand van afzonderlijke makers: het schaduwspel van Michel Ocelot in Princes et princesses (2000); de onweerstaanbare fysieke horrorcreaties van stopmotion-meester Jan Švankmajer; concepttekeningen van Ari Folman voor Waltz with Bashir (2008). Soms via prachtige apparatuur, zoals het fascinerende pinscreen uit 1937 van Alexandre Alexeïeff en Claire Parker. En op andere momenten door dieper in te gaan op de technieken zelf – met als leukste voorbeeld het hoekje waar je ziet hoe animatiefilmers zich op heel verschillende manieren lieten inspireren door de hoekige stijl van gravures, van papieren benaderingen tot computeranimatie.

Waarmee we bij een interessant punt van de presentatie komen: de tegenwoordig wereldwijd dominante computeranimatie speelt nauwelijks een rol. Disney, Pixar, Minions komen voorbij op de vele schermen die overal hangen en die een blij gevoel van overdaad creëren (en veel gelegenheid tot elkaar dingen aanwijzen), maar zijn sterk in de minderheid. Oké, fysieke objecten laten zich makkelijker tentoonstellen, maar bovenal ligt de nadruk elders: Disney en Pixar voelen hier als de ‘moetjes’ te midden van de kleinere, doorgaans kunstzinniger auteursfilms, in plaats van andersom.

Maar ook meer artistieke computeranimatie ontbreekt, voor zover ik kon zien. Net als online animatie, opdrachtfilms en – het meest bevreemdend – Japanse anime. Terwijl die niet alleen mondiaal een enorme impact heeft, maar juist in Frankrijk extreem populair is, met veel Japans-Franse coproducties en de Franse mengvorm ‘franime’ tot gevolg.

Los van die (deels onvermijdelijke) gaten in de presentatie, is er een vraag die me bekruipt op een algemener niveau: ligt de nadruk niet te veel op technologie? Te veel op de vorm, te weinig op de inhoud?

Kleimodel op glas voor Afterlife. Foto: KEES Driessen

Die twee zijn natuurlijk niet strikt te scheiden: het pinscreen creëert qualitate qua een schimmige, nachtelijke sfeer en ook animatie met zand, verf en klei (zoals het prachtige Afterlife van Ishu Patel uit 1978) hebben hun eigen, inhoudelijke neigingen. Maar daar gaat het niet echt over in deze tentoonstelling.

Op het festival en ook bij de opening van het museum hoor je keer op keer: “Animatie is geen genre, maar een medium waarin je alle genres kan vinden.” Wat waar is. En als je naar algemene filmmusea gaat is dat ook vaak wat je aantreft (na, net als hier, een gedeelte met historische apparatuur): een indeling aan de hand van actiefilms, film noir, documentaire, westerns et cetera. Datzelfde zou ik, als volgende stap, ook nog eens gedaan willen zien worden voor animatie. Zodat het minder gaat over ‘knap gemaakt’ en meer over ‘diep betekenisvol’.

Een van de twee tijdelijke tentoonstellingen (de andere is gewijd aan Laika’s aankomende project Wildwood) biedt hiervan gedeeltelijk – en misschien niet eens per se bewust – een voorbeeld. De Franse entertainmentbedrijf Ankama creëert transmediale werelden die games, film en stripboeken omvatten. Erg ‘franga’ en ‘franime’, trouwens, dus zo wordt ook dat toch nog gecoverd. En doordat deze creaties specifieke media ontstijgen, verschuift de aandacht naar een van de meest typerende inhoudelijke eigenschappen van animatie: world-building – het vanuit het niets scheppen van een complete wereld. Geografisch, architecturaal, biologisch, politiek, maatschappelijk – de lijst is eindeloos. Gelukkig worden voor Ankama’s computeranimatie ook nog steeds handmatige schetsen gemaakt, wat het tentoonstellen vergemakkelijkt, maar via kleine making-of-schermen wordt hier ook het proces van computeranimatie meegenomen. En terecht.

Maar belangrijker is dat de aantrekkelijke en omvangrijke opstelling een gevoel van onderdompeling creëert – niet alleen in een medium, maar in een wereld.


Het vijftigste festival van Annecy vindt plaats van 21 t/m 27 juni 2026.