Wij zijn 30: Filmhuis Den Haag
Drietrapsraket aan het Haagse Spui
Dertig jaar geleden werd de Filmkrant opgericht om verslag te doen van het grote aanbod aan onafhankelijke, kunstzinnige, niet-commerciële auteursfilms dat door filmhuizen werd vertoond. Ook Filmhuis Den Haag bestaat dit jaar dertig jaar. Een terugblik.
Een retrospectief van het ‘vergeten’ oeuvre van de Amerikaanse onafhankelijke filmer Joseph Strick reist nog door het land. De nieuwe media-zaal staat volledig in het teken van videogames die het schemergebied tussen amusement en educatie verkennen. Wie de trap op loopt, stuit op een bescheiden tentoonstelling gewijd aan de Amerikaanse actrice Elizabeth Taylor. En dan is de reguliere arthouse-programmering nog niet eens genoemd, met titels als the autobiography of nicolae ceausescu, somewhere en attenberg.
Geen filmtheater in Nederland programmeert zo breed en zo veelzijdig als Filmhuis Den Haag, dat dit jaar zijn dertigste verjaardag viert. De traditie werd ingezet toen het theater op 2 september 1981 de deuren opende met Nederlandse premières van Amerikaanse indies en een uitgebreide hommage aan Orson Welles. "Komt Orson nietes, komt Orson welles", schreven lokale kranten.
Welles bleek wat hoog gegrepen, maar in de jaren die volgden, zouden vele andere auteurfilmers en filmsterren acte de présence geven in de hofstad. Vaak omdat het filmhuis een speciaal programma had georganiseerd. Audrey Hepburn gaf in 1988 samen met couturier Hubert de Givenchy het startschot voor een festival over film en mode, Jeanne Moreau kwam in 1993 voor de vuurdoop van het nieuwe pand aan het Spui, en een jaar geleden trapte de ervaren regisseur Agnès Varda af voor haar eigen retrospectief, en dat van haar overleden collega en echtgenoot Jacques Demy.
Kaartjesscheurder
Gevraagd naar de motieven voor de gevarieerde Haagse programmering, spreekt programmeur Leendert de Jong van een drietrapsraket. "Allereerst het verleden. Landelijk zijn we één van de weinige theaters die de filmgeschiedenis levend houdt. Alleen als filmliefhebbers het verleden kennen, zijn ze in staat om hedendaagse films in het juiste perspectief te plaatsen." Vervolgens noemt De Jong het heden: dat wordt ingevuld met wereldcinema. "Daar kan zo ongeveer alles onder vallen wat onze grote buurman Pathé negeert." De toekomst tot slot krijgt vooral gestalte in de nieuwe mediazaal 5. "Daar laten we zien dat de definitie van bewegend beeld breder is dan alleen film."
Je kunt De Jong beschouwen als Filmhuis Den Haag in persoon: hij begon er zo’n 28 jaar geleden als kaartjesscheurder, verhuisde daarop naar de bibliotheek en ging zich vervolgens, in eigen woorden, met de inhoudelijke kant bemoeien. Sinds 1991 bekleedt hij officieel de functie van programmeur. In zijn werkwijze is sindsdien weinig veranderd, zegt hij, maar wel in het aanbod van premièrefilms. "Hadden we in de jaren tachtig soms moeite om alle doeken vol te krijgen, tegenwoordig is het eerder andersom. Er zijn te veel distributeurs en te weinig doeken."
Buiten de canon
Aanvankelijk vertoonde het filmhuis een dagelijks wisselende historische film, onder de noemer Cinematheek. In de loop van de jaren verdween de filmgeschiedenis uit de reguliere programmering, om een plaatsje te vinden in retrospectieven, landenoverzichten en festivals. De Jong zoekt het bij voorkeur buiten de canon, in "films die er tegenaan schurken." Naast potemkin, casablanca en citizen kane dus ook Derek Jarman, de Britse camerameester Jack Cardiff en films van het Amerikaanse indielabel Troma.
Zo herontdekte De Jong de Italiaanse filmmaker Valerio Zurlini, een generatiegenoot van Fellini, Visconti en De Sica. "In Nederland had alleen toenmalig NRC-recensent Hans Beerekamp van hem gehoord. Terwijl Zurlini met grote acteurs als Mastroianni, Delon en Cardinale werkte en in de jaren vijftig en zestig ook wel eens in Nederland is uitgebracht. Hij deed alleen niet aan zelfpromotie en maakte slechts acht films. Dan loop je al gauw het risico vergeten te worden. Onterecht, en gelukkig hebben we hem opnieuw op de kaart weten te zetten."
Het was een mooi cadeautje, bij het zilveren jubileum in 2006. 25 jaar eerder kende Filmhuis Den Haag een uiterst moeizame geboorte. Niet alleen was de hofstad bepaald geen voorloper — in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht ontstonden al eerder centrale filmtheaters — ook liepen de vergaderingen over de oprichting stroef. De toenmalige vertoners van artistieke films, waaronder het Kijkhuis en een aantal besloten filmclubs, moesten opgaan in de nieuwe constructie en vreesden voor verlies van de identiteit van hun programmering.
Er zaten uiteindelijk zes jaar tussen de oprichting van de Haagse Filmstichting, die de totstandkoming leidde, en de opening van het filmtheater in het AV-bekapand aan de Denneweg. Een wat vervallen maar stijlvol Jugendstilgebouw uit 1898, dat werd omgetoverd tot een filmtheater met een grote (155 stoelen) en een kleine (37 stoelen) zaal, een foyer en een bibliotheek. Verbouwingskosten: anderhalf miljoen gulden. "Een te dure grap", oordeelde de lokale VVD.
Lichtend voorbeeld
Het scheelde weinig of de liberalen hadden gelijk gekregen, want organisatorisch waren de eerste jaren een rommeltje. Het filmhuis versleet drie directeuren in drie jaar, conflicten tussen de directie en het personeel volgden elkaar in hoog tempo op en de gemeente begon vanaf de start te bezuinigen. Eind 1984 moest het bestuur er aan te pas komen om orde op zaken te stellen: alle medewerkers werden op staande voet ontslagen. De tent moest als gevolg daarvan tijdelijk op slot.
Toen de deuren op 1 februari 1985 weer open gingen, zaten er twee directeuren: Kees Kasander en Denis Wigman. Onder hun leiding belandde het filmhuis in rustiger vaarwater. De focus verschoof van interne strubbelingen naar de inhoud. Met in 1986 de eerste editie van het nieuwe mediafestival Image&Sound en vanaf 1987 de groots opgezette, landelijk roulerende festivals zoals we die tot op de dag van vandaag kennen. De Cinematheekprogrammering werd inmiddels beschouwd als lichtend voorbeeld voor het Filmmuseum in Amsterdam, en het filmhuis coproduceerde zelfs twee films, van de in Nederland wonende Argentijn Alejandro Agresti en de in Canada wonende Paul Driessen.
De bezoekersaantallen liepen richting de 50.000, en in een interview met de Volkskrant in 1987 spraken de directeuren voor het eerst van een capaciteitsprobleem. Het pand aan de Denneweg had er al een derde zaal bij gekregen, maar kon een verdere uitbreiding niet aan. Een verhuizing nam in 1990 pas concrete vormen aan. De gemeente was weer aan het bezuinigen geslagen en wilde het filmhuis fiks korten, met 100.000 gulden op een totale subsidie van ongeveer 800.000. Het filmhuis kon flink besparen op de hoge huurkosten, en ging dus mee in de bouwplannen voor een theatercentrum aan het Spui. Dat het aantal stoelen steeg van 200 naar 226, was daarbij mooi meegenomen.
Dreigende verschraling
In 1993 betrok het filmhuis de nieuwe locatie, samen met het Kijkhuis, dat zich richtte op videokunst, en Stroom, het Haagse centrum voor beeldende kunst. Maar al gauw bleek dat er weinig synergie bestond tussen de instellingen. Terugkijkend heeft het filmhuis daarvan geprofiteerd: het kon de extra ruimte benutten die ontstond met het vertrek van het Kijkhuis in 1997 — inmiddels World Wide Video Festival — en van Stroom in 2005. Het aantal zalen steeg daardoor van drie in 1993 naar zeven in 2006, waaronder een nieuwe media-zaal en een multifunctionele zaal voor lezingen, tentoonstellingen en workshops. Het aantal bezoekers groeide mee: 56.000 in 1993, 72.000 in 1994 (na de verhuizing), 120.000 in 2003 (na de eerste uitbreiding), tot circa de huidige 145.000.
Het valt dus moeilijk te ontkennen dat Filmhuis Den Haag een publieksfunctie vervult. Toch geeft de dertigste verjaardag, net als die van de Filmkrant, weinig aanleiding voor een feestje. Het filmhuis heeft in 2011 en 2012 een stevige gemeentelijke bezuiniging voor de kiezen gekregen: 7,7 procent eraf. In de volgende cultuurplanperiode wordt de korting waarschijnlijk nog hoger.
De Jong vreest dan ook voor een dreigende verschraling van het arthouseaanbod. De geschiedenis herhaalt zich, want ook in 1990 vielen zulke geluiden te horen. Resulteerde de bezuiniging toen in het afstoten van Image&Sound, nu spreekt De Jong van commerciëlere accenten in de programmering. "Als de subsidiekraan wordt dichtgedraaid, valt dat wellicht niet meer te vermijden. Dat zal ten koste gaan van de kwetsbare film. Helaas geeft de huidige politiek daar weinig om."
Niels Bakker