Teledoc Campus 2023

Van bloeiende bidprentjes tot keffende kantoorhonden

Vluchtval

Ook dit jaar biedt Teledoc Campus jonge filmmakers weer een platform om hun talent te ontplooien. De tien documentaires van een klein half uur zijn stuk voor stuk vakkundig gemaakt, maar missen hier en daar wat artistieke eigenzinnigheid.

Viel het vorig jaar nog op hoeveel van de documentaires in de Teledoc Campus de relatie tussen maker en onderwerp centraal stelden, in deze lichting blijft de maker juist vaak op de achtergrond. Twee uitgesproken uitzonderingen zijn Als ze er niet is van Wieke Kapteijns en Simpele dromen van Pitou Schütz.

In Als ze er niet is gaat Kapteijns op zoek naar de betekenis van het woord ‘moeder’. Zijn eigen moeder overleed toen hij zes jaar oud was en de film cirkelt als het ware rond die afwezigheid. Via zoekopdrachten in Google, vrienden die definiëren wat een moeder is, kleding en haarclipjes, foto’s, en uiteindelijk familiefilmpjes die hij kijkt, stilzet, terugspoelt, opnieuw bekijkt. Aan de telefoon met zijn vader zien we Kapteijns zeggen dat hij bang is om zijn moeder te gaan zoeken. Bang om echt in die gapende leegte te kijken die misschien als een zwart gat alles opslokt wat hij nu nog van haar bij zich draagt.

Simpele dromen

Ook in Simpele dromen treedt de maker op de voorgrond. Schütz, die naast haar filmcarrière ook protheses maakt, begint haar documentaire met een oproep: een verhaal in ruil voor een prothese. Het resultaat is een portret van de uit Soedan gevluchte Jamal. Terwijl zij zijn maten opneemt en aan de slag gaat met de prothese, doet hij zijn verhaal, dat wordt verbeeld in animaties, een recent vaak gehanteerde methode (zie bijvoorbeeld Flee). Ook hier betoont dat zich effectief. Hoe blote voeten transformeren tot legerkistjes, de weerspiegeling van een duif in een oog tot een soldaat. Tegelijk laat het zien hoe deze jonge makers soms eerder trends lijken te volgen dan nieuwe stappen te zetten.

Nog een film waarin vluchten centraal staat is het dubbelportret Vluchtval, waarin Laura Stek de verhalen verweeft van een de in de jaren veertig uit Tsjecho-Slowakije gevluchte dichter en een uit Mali gevluchte freerunner. Zowel haar gedichten als zijn freerunnen fungeren als een metafoor voor de vrije val die zo’n vlucht is, waarin iemand alles achterlaat en opnieuw moet beginnen. Door parallellen te trekken (geregeld horen we haar verhaal bij zijn beelden) is het ook een film over historisch bewustzijn en hoe dat onze blik op het heden kan kleuren. Want waarom maken we verschil tussen de ene of de andere vluchteling?

Als ik zelf de zon ben

Historisch bewustzijn staat ook op de voorgrond in Als ik zelf de zon ben, een portret van de jonge klassiek pianist Djuwa Mroivili. De film van Naomi White toont een schurende realiteit: er komt in het witte bolwerk van de klassieke muziek weliswaar steeds meer ruimte voor een verhaal als dat van Mroivili, maar ze moet dat verhaal vertellen in ruimtes die niet de hare zijn. Zoals het Concertgebouw in Amsterdam, gebouwd op de grond waar in 1883 een Wereldtentoonstelling werd gehouden waarin mensen uit Nederlandse kolonies tentoongesteld werden. Door steeds dicht bij Mroivili te blijven, maakt de film pijnlijk zichtbaar hoe er naar haar gekeken wordt en hoe daarin echo’s doorklinken van dat verleden. Zoals wanneer een vrouw Mroivili na een optreden vraagt of ze haar haren mag aanraken.

“Ons heiligdommetje”, noemt het echtpaar in Het wonder van Oirsbeek hun huis, dat is vergeven van Maria-beelden en bidprentjes die bloed huilden. ‘Bloeiden’, zoals hij het in hanenpoten onder de prentjes schrijft. De wijze waarop het excentrieke echtpaar de observerende stijl van makers Kees-Jan Mulder en Jaap van Heusden ondermijnt door recht de camera in te kijken doet soms denken aan het befaamde Grey Gardens (Ellen Hovde, Albert & David Maysles, 1975). Het wonder van Oirsbeek balanceert soms op het randje van satire, maar stuurt daar weer van weg met het ingrijpende levensverhaal van Sanna, een opeenstapeling van trauma’s die je enigszins doet begrijpen waarom deze mensen een cocon voor zichzelf hebben geschapen.

De kantoorhond

Ook licht absurdistisch is De kantoorhond. Onderzoek heeft uitgewezen dat een hond op kantoor een stress-verlagende factor kan zijn. Maar hoe zit dat als het halve kantoor een hond meeneemt en de kantoortuin verandert in een kennel vol blaffende viervoeters? Met een droog gevoel voor humor registreert Iris Grob het contrast tussen het in vakjargon vergaderende personeel en de honden die bedelen om een snoepje of aai over de bol. Tegelijk laat de film geestig zien hoe ook dit experiment in een stramien van sollicitaties, overleggen en evaluaties vervalt.

Twee zintuiglijke films met wisselend succes zijn Spiegel en You Can’t Sleep Here. In Spiegel volgt Eva Sjerps sessies waarin jongeren met paarden in de weer gaan en ondertussen worden uitgenodigd over hun problemen en gevoelens te praten. Paarden, uiterst sensitieve dieren, reageren vaak op de onderhuidse behoeftes of spanningen van een mens. Door het gedrag van het paard te benoemen, worden zo bijna als vanzelf die weggedrukte gevoelens naar het oppervlak gehaald. Sjerps begint haar film met extreme close-ups van de paarden: de vacht, een hoef, manen. Die tactiele benadering is sterk, maar inhoudelijk blijft het aan het oppervlak.

De laatste jaren is het aantal daklozen in grote steden sterk gestegen. In You Can’t Sleep Here dompelt maker Jelmer Wristers de kijker onder in nachtelijk Amsterdam, in deze vaak zo onzichtbare achterkant van de samenleving. Zwijgend registreert hij hoe mensen een plaatsje zoeken onder een brug, in een parkeergarage of een boedelbak. Hun slaapzak uitrollen en zich installeren voor de nacht. De poëtische toonzetting wordt nog versterkt in het tweede deel, dat grotendeels bestaat uit shots van de slapende mannen, waarna Wristers hen met een beeldtrucje als slapende reuzen in het stadslandschap projecteert. Zo haalt ze ze even uit de marge en onzichtbaarheid.

Brieven aan Vincent

Voor Brieven aan Vincent reist Hannah van Tassel af naar Saint-Rémy-de-Provence, waar Vincent van Gogh een jaar in een psychiatrische kliniek doorbracht. Huidige bewoners van deze instelling schrijven brieven aan Van Gogh, waarin steeds opnieuw de relatie tussen lijden, waanzin en creativiteit opduikt. Ze schilderen, in dezelfde felle kleuren als Van Gogh. Kleuren die geen donkerte maskeren, maar juist een uiting zijn van een draaikolk aan emoties.

Iets dergelijks is ook terug te zien in Pretty Sorrow, de laatste film die wordt uitgezonden en de enige die geen 25 maar 50 minuten duurt. De documentaire van Klaas Hendrik Slump is een portret van modefotograaf Jasper Abels. Zijn werk, dat verschijnt in de grootste modebladen, kenmerkt zich door felle kleuren en sprookjesachtige decors, maar een zwarte rand is nooit ver weg. Zowel Abels’ zus als broer kwamen door zelfdoding om het leven. En ook hijzelf is niet gevrijwaard van donkere gedachten. De structuur van de film is hier en daar vrij chaotisch. De documentaire opent met Abels die werkt aan een project met oude familiefoto’s, die hij bewerkt door erop te tekenen en borduren. Maar in plaats van zo’n project als een rode draad door de film te weven, springt de documentaire wat rusteloos van de hak op de tak. Al is het ook wel prettig om in deze reeks vakkundig gemaakte, maar soms toch ook wat brave films een documentaire te treffen die de touwtjes wat laat vieren.


De tien films van Teledoc Campus 2023 zijn te zien op het Nederlands Film Festival, worden vervolgens van 25 september t/m 27 november iedere maandagavond uitgezonden op NPO2 en zijn daarna terug te zien via NPO Start.