Portret Jacques Demy

De weemoed voorbij de betovering

Datum
26-08-2026
Verschenen in

La baie des anges

Het oeuvre van Jacques Demy, van wie vijf films opnieuw in de bioscoop verschijnen, wordt vaak aangeduid als sprookjesachtig, magisch en betoverend. Dat ontneemt het zicht op zijn weemoedige verhalen vol teleurstelling, verdriet en wanhoop. En hoe zit het met zijn queer kant?

Le monde enchanté de Jacques Demy was de titel van een tentoonstelling die de Cinémathèque française in 2013 organiseerde over de geliefde Franse filmmaker. Deze titel, ‘de betoverde wereld van Jacques Demy’, is treffend maar bekrachtigt ook een kritische benadering van het werk van de regisseur die lang niet het hele verhaal vertelt.

De nadruk op de magie van Demy (1931-1990) ontneemt het zicht op de schaduwen in zijn oeuvre: het sprookjesachtige wordt altijd gecontrasteerd met melancholie, verlies en onvervuld verlangen. Ook esthetisch zijn de films georganiseerd volgens het licht-donkerprincipe. Zie het topshot van de kleurige paraplu’s boven een grauw trottoir in een van zijn bekendste films. Maar wie alleen naar de glanzende oppervlakte kijkt, mist die contrasten in zijn werk.

Vanaf eind augustus brengt distributeur Cherry Pickers vijf Demy-films opnieuw uit, waaronder zijn geheel gezongen films (‘cinéma en chanté’) met Catherine Deneuve: Gouden Palm-winnaar Les parapluies de Cherbourg (1964) en Les demoiselles de Rochefort (1967), met een bijrol van Hollywood-ster Gene Kelly. In beide films verhullen pastelkleuren de bitterzoete inhoud. Nog los van het feit dat werkelijk alles gezongen is, dus ook de dialogen, is Demy’s vormgeving opvallend kunstmatig. Hij liet de straten en muren van Cherbourg overschilderen in zuurstokkleuren. Hier dient zich het eerste frappante contrast aan in Demy’s oeuvre: door te filmen op locatie suggereert hij authenticiteit, maar dat realisme wordt vervolgens ‘opgetild’. De werkelijkheid wordt verfraaid, om des te sterker de schaduwkant te kunnen laten zien, de teleurstelling over leven en liefde die veel van zijn personages kenmerkt.

De magische (buiten)kant van Demy is veelal stilistisch en springt in het oog. Zoals het soepele camerawerk, de verzadigde kleuren of het fraaie contrast tussen zwart en wit dat in de nieuwe 4K-restauraties extra goed naar voren komt. Samen met de lyrische muziek van zijn vaste componist Michel Legrand zorgt dit alles voor esthetische genoegens.

Maar inhoudelijk ligt het genuanceerder. De in Nantes geboren Demy heeft in zijn werk een voorkeur voor havensteden, plekken waar mensen komen en gaan en waar (Amerikaanse) matrozen en zeelieden door de straten schuimen op zoek naar vluchtig vertier. Alles is er altijd in transitie, niets is blijvend – ook de liefde niet. Dat geeft zijn ogenschijnlijk vrolijke oeuvre onmiskenbaar een melancholiek randje. De gelatenheid van de personages over deze amoureuze vergankelijkheid stemt zelfs droevig.

Lola

Desillusie
De blauwdruk voor Demy’s trieste thematiek zit in zijn indrukwekkende debuut Lola (1961). Hij droeg hem op aan filmmaker Max Ophüls, bekend van zijn meesterlijke melodrama’s en zwierige camerawerk. Het personage is vernoemd naar Lola Montès, titelpersoon uit de gelijknamige Ophüls-film. Demy’s Lola (Anouk Aimée) is een danser die zich bij haar optredens in nachtclub Eldorado kleedt als Marlene Dietrich in Der blaue Engel (1930); een dialoog verwijst naar Marilyn Monroe. Een ander personage bezoekt een bioscoop waar een Hollywood-film met Gary Cooper draait. Lola begint met een zogenaamde iris-in, waarbij een groot deel van het beeld eerst gemaskeerd is – we zien een rondje ter grootte van een oog – waarna het beeld langzaam geheel gevuld wordt. Een ouderwetse techniek uit de tijd van de vroege film.

Enerzijds staat Demy dus met één been in het verleden, anderzijds is hij contemporain. Net als zijn Nouvelle Vague-tijdgenoten filmt hij op locatie (hier in zijn geboortestad Nantes), is het budget beperkt en de vorm spontaner dan in klassiek Hollywood. Maar die schijnbaar losse structuur van Lola is strak ge­componeerd. Lola begint met een man met cowboy­hoed die als een prins op het witte paard in een witte Cadillac Nantes binnenrijdt, waarbij hij bijna een stel Amerikaanse matrozen aanrijdt, en eindigt met diezelfde man die Nantes weer verlaat. Een van de matrozen speelt een rol in het verhaal, dat vol zit met dwarsverbanden. Zo heet Lola eigenlijk Cécile, ook de naam van een meisje dat in de film voor het eerst verliefd wordt, op dezelfde leeftijd dat Lola voor het eerst verliefd werd.

Om Lola heen cirkelen allemaal bijfiguren, van wie dertiger Roland de belangrijkste is. Zijn verveling, gebrek aan ambitie, desillusie en levensmoeheid kleuren de plot. Hij kent Lola van vroeger, ontmoet haar bij toeval opnieuw en wordt verliefd op haar – een liefde met complicaties.

Les parapluies de Cherbourg. Foto: Leo Weiss

Terzijde: dezelfde personages duiken vaak in meerdere films van Demy op, wat zijn oeuvre – ook thematisch – fraai sluitend maakt: zo zien we een inmiddels gedesillusioneerde en wanhopige Lola terug in Demy’s in Amerika gedraaide Model Shop (1969) en treffen we Roland weer in Les parapluies des Cherbourg.

Lola is ook een van de vele Demy-films met een optimistisch einde, dat in schril contrast staat met alles wat eraan voorafgaat. Over die ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’-sprookjeseindes is vaak kritisch geschreven. Ja, ze zijn ongeloofwaardig, maar je ziet ook dat Demy ze afraffelt. In zijn tweede film, La baie des anges (1963), duurt het happy end hooguit anderhalve minuut. Zou Demy ze ironisch bedoeld hebben? Als commentaar op de heteronormativiteit van cinema en de Nouvelle Vague in het bijzonder?

Queer sensibiliteit
Hier komen we bij een intrigerend biografisch ‘contrast’. Demy was decennialang getrouwd met regisseur Agnès Varda, maar bekend is dat hij op zijn minst biseksueel was (zie ook Demy’s Parking uit 1985, waarin een biseksuele rockster een vriend kust, te zien in Eye Filmmuseum). Dat hij aan aids stierf zegt niet per se iets over zijn geaardheid, toch hield Varda het tot 2008 geheim. Je kunt zijn films dus bekijken met een queer blik, wat de laatste vijftien jaar ook gebeurt. Dat is interessanter dan de eeuwige discussie of zijn films nou wel of niet bij de Nouvelle Vague horen.

Peau d’ane

In Lola lijken twee vrouwelijke bijfiguren samen te wonen en tonen de vrouwen die in de nachtclub werken veel onderlinge solidariteit. Demy’s queer sensibiliteit zit nog sterker in Peau d’âne (1970), naar het sprookje van Charles Perrault. Hier wederom de kitscherige pastelkleuren uit zijn musicals, maar ook de casting is opvallend. De koning, die met zijn dochter wil trouwen, wordt gespeeld door Jean Marais. Marais was de partner van de openlijk homoseksuele kunstenaar Jean Cocteau, in wiens films hij speelde; zie de klassiekers La belle et la bête (1946) en Orphée (1950) – twee films waaruit we stilistische elementen terugzien in Demy’s campy sprookjesverfilming.

Die was bedoeld voor kinderen, maar voor wie er oog voor heeft is hij ook te interpreteren als queer film. Als de prins en prinses trouwen lijken ze beiden diep verveeld, waarbij de suggestie is dat de prins wellicht gay is en dat de prinses eigenlijk liever met haar vader getrouwd was – zoals zij in het begin ook zegt. Zo bezien is de film opeens niet meer saai, maar uitdagend en de norm bevragend. Met die queer blik ga je ook anders kijken naar de vele matrozen die Demy’s film bevolken – daar hoef je geen Gerard Reve voor te hebben gelezen.

Voor het witwassen van de queer kant van Demy wordt, terecht of onterecht, Varda verantwoordelijk gehouden. Tot haar dood had zij de rechten van zijn films, die ze weliswaar liefdevol restaureerde maar ook streng controleerde. Zij benadrukte de magische en elegante kant van Demy, onder meer in haar documentaire L’univers de Jacques Demy (1995; hierin geen woord over zijn biseksualiteit), resulterend in de Cinémathèque-tentoonstelling over de betoverende wereld van Demy. Net als de vrouwelijkheid die een platinablonde Jeanne Moreau als maskerade inzet in gokfilm La baie des anges, is het zaak achter dit masker te kijken. Dan zien we mislukking, desillusie, gedwarsboomde dromen en stille wanhoop. Geen wonder dat personages vertrekken, richting een ongewisse toekomst, en ook in de mise-en-scène constant in beweging zijn. Op zoek naar verlossing die misschien wel nooit komt.


Les parapluies de Cherbourg is te zien vanaf 27 augustus 2026, Lola, La baie des anges, Les demoiselles de Rochefort en Peau d’âne vanaf 3 september 2026, allen ook via Picl.nl. Een aanvullend programma met speelfilms, korte films en de documentaire Jacques Demy, le rose et le noir (2024) is te zien in Eye Filmmuseum (27 augustus – 14 oktober 2026).