Nieuwe Israëlische Cinema

Wonderbaarlijke opstanding

  • Datum 22-03-2016
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Z32

Tien jaar geleden leek de Israëlische cinema op sterven na dood, maar de laatste jaren is er een golf interessante Israëlische films ontstaan. De sleutel van het succes? Geen slappe komedies en politieke traktaten meer, maar toegankelijke, kritische films.

Kunt u de naam van tenminste één Israëlische filmmaker noemen, vroeg de schrijver van een artikel in de New York Times tien jaar geleden. De Israëlische cinema noemde hij ‘obscuur’ en een ‘goed bewaard geheim’. Begrijpelijk dat nog nooit een Israëlische film op het in 1963 opgerichte New York Filmfestival te zien was geweest, want de Israëlische cinema stelde geen fluit voor.
Helemaal gelijk had de schrijver niet, want er was één Israëlische filmmaker die internationaal wel een belletje deed rinkelen: Amos Gitai. Wie ziet hoe Israël jarenlang met hem omsprong, begrijpt wat er mis was met de Israëlische cinema: in een verkrampt land kan geen filmcultuur bloeien. De Israëlische cinema lag decennia aan de ketting van censuur en zelfcensuur. Liever melige komedies dan films die lastige vragen stellen. Gitai was een eenling.
Zijn filmleven begon toen in de Yom Kippur-oorlog in 1973 de helikopter waarin hij en vijf andere soldaten zaten uit de lucht werd geschoten. Op dat moment veranderde de wazige linkse intellectueel in een man met een missie. Gitai werd de filmende luis in de pels van het Israëlische establishment. Met documentaires als political myths (1979) trapte hij heilige huisjes over het zionisme en de stichting van Israël omver. Het werd niet op prijs gesteld. De televisie weigerde in 1980 zijn documentaire house uit te zenden, omdat de film, waarin Palestijnse bouwvakkers in Jeruzalem een huis van een Joodse familie verbouwen dat voor 1948 van een Palestijnse familie was, op symbolische wijze de kern van het Joods-Palestijnse conflict toonde. Ook niet uitgezonden werd twee jaar later de documentaire field diary, waarin Gitai kort voor de Israëlische inval in Libanon Palestijnse bewoners en Joodse kolonisten in de bezette gebieden interviewt.
De tegenwerking en doodsbedreigingen beu ruilde de maker Israël in voor Frankrijk. Tot 1993 woonde hij in Parijs. Dat hij kon blijven filmen, dankte hij aan Frankrijk, dat de belangrijkste financier van zijn films werd. Toen Rabin in 1993 vredesonderhandelingen begon, keerde Gitai terug naar Israël. Van een warme verhouding is nog steeds geen sprake. Veelzeggend is dat Gitai’s films zelden prijzen winnen in Israël, maar in het buitenland veelvuldig worden bekroond.

Mythen
Amos Gitai is de godfather van wat de Nieuwe Israëlische Cinema wordt genoemd. De term is meer dan een slim marketinginstrument. Gitai’s film kadosh uit 1999 kan worden gezien als het beginpunt van de nieuwe golf, omdat hij de kenmerken bevat die de huidige stroom Israëlische films succesvol maakt. Alle recente succesvolle films gaan over beladen sociale, politieke of religieuze onderwerpen, die niet ideologisch worden behandeld, maar opgehangen zijn aan personages met wie de kijker emotioneel kan meeleven. In kadosh gebeurt dat met twee jonge vrouwen in een ultra-orthodox milieu in Jeruzalem. De vrouwen zijn niet te benijden: het is hun taak om manlief te dienen, voor nageslacht te zorgen en verder hun mond te houden. De atheïst Gitai ziet het orthodoxe jodendom waarschijnlijk liever vandaag dan morgen verdwijnen, maar kadosh is eerder humanistisch dan antireligieus.
Dat is geen toeval, want Gitai leerde van de dogmatische politieke cinema uit de jaren zestig en zeventig dat filmtraktaten en —verhandelingen over Israëls problemen preken voor eigen parochie zijn. Wie een groter publiek wil bereiken, moet emotionerende films met pakkende personages maken. kadosh, waarmee Israël na vijfendertig jaar weer een film in de competitie in Cannes had, leidde in Israël tot verhitte debatten over het orthodoxe jodendom. Wat met documentaires niet lukte, lukte kadosh wel: de film oversteeg de groep geïnteresseerden die het al eens was met de boodschap. Want dat was altijd het probleem geweest van de Israëlische serieuze cinema: al vanaf de jaren zestig waren er filmmakers die met films stelling namen tegen zionisme, orthodoxie en de behandeling van de Palestijnen, maar hun films, voornamelijk documentaires, werden vooral gezien door gelijkgestemden. Wat in dit filmkamp gebeurde was even voorspelbaar als wat zich afspeelde in de mainstream-cinema, die de nationale mythen juist koesterde.
In de jaren zestig kregen die mythen vorm in patriottische heldenfilms over zionistische pioniers en kibboetsarbeiders, maar in de jaren zeventig geloofde iedereen het wel, of beter gezegd: geloofde iedereen het niet meer. Succesvol waren toen etnische komedies en melodrama’s, die met paternalistische blik naar nieuwe immigranten keken. Rare lui, die Afrikaanse en Russische Joden! In de jaren tachtig drongen explosieve kwesties, zoals de inval in Libanon (1982) en de eerste Intifadah (1987), door in kritische speelfilms, maar het publiek liet ze links liggen. Als reactie keerden filmmakers zich in de jaren negentig af van politiek en ideologie. De alledaagse problemen van hippe twintigers in Tel Aviv vond men urgenter. De publieke belangstelling voor Israëlische films zakte naar een dieptepunt. Het Israëlische publiek was met geen stok naar films van eigen bodem te slaan. Israëlische films droegen in 1999 voor slechts 0,3 procent bij aan de bioscoopopbrengst. De Israëlische cinema was op sterven na dood.

Lichtvoetigheid
De ommekeer kwam met kadosh, dat liet zien met wat voor films Israël internationaal succes kan hebben: niet met komedies of politieke traktaten, maar met niet-ideologische, emotioneel meeslepende films over serieuze problemen. De boodschap werd begrepen door Dover Koshasvili, die twee jaar later met late marriage ook de perikelen van het gedwongen huwelijk aan de orde stelde. De film, die de carrière van actrice en sinds kort regisseur Ronit Elkabetz lanceerde, verschilde van kadosh door zijn lichtvoetigheid. De tragikomedie zorgde in Israël voor volle zalen en won tien nationale filmprijzen. Het lek was boven en steeds meer Israëlische filmmakers trokken de aandacht.
In walk on water (Eytan Fox, 2004) moet een Israëlische geheim agent een oude ex-nazi vermoorden, maar door gesprekken met de kleinzoon van de bejaarde begint hij te twijfelen aan de opdracht. De film stelt een belangrijke vraag: leidt vergelding tot een betere wereld? Vorig jaar kwam het succes tot een (voorlopig?) hoogtepunt. In lemon tree (Eran Riklis, 2007) vecht een Palestijnse vrouw de onteigening van haar boomgaard door de Israëlische staat aan. Het kost weinig moeite om de film als een metafoor te zien voor de strijd om het Israëlische grondgebied. In the band’s visit (Eran Kolirin, 2007) belandt een Egyptisch fanfarekorps per abuis in een Israëlisch dorpje. Het leidt tot tragikomische culturele botsingen, die veel zeggen over de krampachtige verhoudingen in het Midden-Oosten. Israël en Egypte zijn buurlanden, maar de inwoners wonen cultureel op verschillende planeten.
Over de traumatische gevolgen van oorlogvoeren gaan de twee beste Israëlische films van de laatste jaren. In beaufort (Joseph Cedar, 2007) wordt een groep Israëlische soldaten in een fort in Libanon belegerd. De beklemming en doodsangst vliegen naar de keel. De animatiedocumentaire waltz with bashir (Ari Folman, 2008) gaat over de Israëlische bezetting van Beiroet in 1982. Doodsbange Israëlische soldaten schieten op alles wat beweegt, waarna de film uitmondt in de gruwelijke slachtpartij door christelijke milities in de Palestijnse kampen Sabra en Shatilla. waltz with bashir gaat over trauma’s, verdrongen herinneringen en schuldbesef: had het Israëlische leger de slachting kunnen voorkomen? Waarom greep het niet in?

Geile beulen
Boven alle Israëlische films hangt de vraag wat voor land Israël wil zijn. Wil het een orthodox religieus land zijn? Een modern liberaal land? Een militaristisch land? Hoe moet worden omgegaan met de Palestijnen? En met de buurlanden? Gitai merkte tien jaar geleden in een interview op dat filmmakers deze kwesties niet durven aan te snijden. "We leven in een zeer geopinieerde, pluralistische samenleving. Maar films verbergen nog steeds de verschillen en schetsen — het is pathetisch — een uniform beeld in plaats van ons interne debat te laten zien."
Die tijd is voorbij. In Israëlische films lijkt geen onderwerp meer taboe. In documentaires was dat al het geval, maar het geldt nu ook voor speelfilms. Door de hausse aan succesvolle speelfilms valt het misschien niet op, maar er worden nog steeds uitstekende documentaires gemaakt. Yoav Shamirs checkpoint (2003), dat indringend de vernederingen toont van Palestijnen bij een checkpoint, en daarmee de Joris Ivens Award won op het IDFA-festival, was niet de laatste imponerende documentaire.
Ook in documentaires speelt op de achtergrond altijd de vraag naar het Israëlische zelfbeeld. Was het verleden wel zo heroïsch als altijd werd gedacht? In Avi Mograbi’s z32, dat op IDFA is te zien, worstelt een jonge elitesoldaat, die meehielp met het vermoorden van vier Palestijnse politieagenten, met zijn geweten. Spijt en schuld knagen aan hem.
In my first war blikt Yariv Mozer terug op de korte oorlog in Libanon in de zomer van 2006. De toen 28-jarige reservist filmde met een videocamera wat hij zag. Gedesillusioneerd wijst hij op "het gebrek aan rechtvaardigheid van deze onnodige oorlog en het verlies aan waardevolle mensenlevens". Ook my first war stelt de vraag wat voor land Israël is geworden. Zijn Israëls buurlanden het probleem of Israël zelf? Over de ingrijpende invloed van oorlog op soldaten gaat ook to see if i’m smiling (Tamar Yarom, 2007), waarin drie vrouwelijke soldaten terugblikken op hun diensttijd. De film, die vorig jaar op IDFA de Zilveren Wolf en de publieksprijs won, is een ontluisterend verslag van ontmenselijking.
Als er een prijs bestond voor de bizarste Israëlische film zou hij gaan naar stalags: holocaust and pornography in israel (Ari Libsker, 2007). De documentaire ontrafelt een curieuze episode in het recente Israëlische verleden. In het begin van de jaren zestig verkochten boekwinkels en kiosken softpornoboekjes, waarin de geïllustreerde verhaaltjes waren gesitueerd in Duitse gevangenkampen. Het draaide in deze boekjes, die Stalags werden genoemd, om Amerikaanse en Britse gevangenen die door blonde, half ontblote SS-vrouwen werden afgeranseld en seksueel gemarteld. Aan het einde namen de gevangenen met mishandeling en verkrachting wraak op hun geile beulen. Hallo Freud, bent u daar? De boekjes waren in het puriteinse Israël de enige erotisch opwindende lectuur. Het bizarste is dat ze veel invloed hebben uitgeoefend op het historisch besef. Massa’s Israëliërs schijnen te denken dat er in Auschwitz een bordeel was, waarin Joodse vrouwen seks moesten bedrijven met hordes aangevoerde Duitse soldaten. In een land waarin verleden en heden, fantasie en werkelijkheid, mythe en waarheid zo met elkaar zijn verstrengeld, kunnen filmmakers nog lang voort.

Jos van der Burg