IDFA 2019: Generatiekloof in de competities

Wat zijn we, individu of collectief?

Aswang

 

Er doemt een generatiekloof op in het competitieprogramma van documentairefestival IDFA. Wie de twaalf films in de hoofdcompetitie, veelal gemaakt door ervaren filmmakers, afzet tegen de films van jongere makers in de debuutcompetitie, kan er niet omheen: de jeugd kijkt naar ‘wij’, de ouderen naar ‘ik’.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Er zitten (relatief) jonge makers in wat voluit de IDFA Competition for Feature-Length Documentary heet, die wij hier voor het gemak de hoofdcompetitie noemen. Er zitten (relatief) oude debutanten in de IDFA Competition for First Appearance. Er zijn jonge makers die naar hun navels staren en ervaren meesters die de collectiviteit van de menselijke ervaring centraal stellen – zoals Mehrdad Oskouei in openingsfilm Sunless Shadows, Maasja Ooms in Rotjochies en Valentina Pedicini in Faith, een intrigerend portret van een Italiaanse sekte die zich via bodybuilding en martial arts voorbereid op de naderende eindtijd.

Maar over het geheel genomen staan deze twee competities (de meest prominente van de in totaal tien competities die IDFA dit jaar telt) haaks op elkaar. De oude meesters stellen het individu centraal, vaak vanuit hun eigen individuele makerschap. De debutanten zien zich als deel van een collectief.

Confrontatie
De meeste films in de debuutcompetitie zijn getekend door die collectiviteit: ze gaan over conflict, confrontatie en de groep. Zelfs een intiem familieportret als Eva Marie Rødbro’s I Love You I Miss You I Hope I See You Before I Die werkt als een verslag van het leven onder de Amerikaanse armoedegrens. De film volgt Betty, een jonge moeder van twee kinderen die worstelt met rekeningen betalen, een lamlendig vriendje, werk en ouderschap. Alsnog kiest Rødbro ervoor om de veerkracht van Betty, haar vriendinnen en familieleden te benadrukken. Ondanks de problemen, wordt de film vooral een viering van sisterhood en solidariteit.

Solidarity

Politieke solidariteit staat centraal in Solidarity (Lucy Parker). Deze wat traditionele documentaire legt bloot hoe de Britse bouwindustrie decennialang een zwarte lijst bijhield, waarmee arbeiders die zich inzetten voor de vakbonden stelselmatig buiten de deur werden gehouden.

Maar ook waar solidariteit niet expliciet het onderwerp is in films in de debuutcompetitie, speelt die onderhuids toch een belangrijke rol. My Darling Supermarkt (Tali Yankelevich) beschouwt een gloednieuwe supermarkt vanuit het collectief van haar quirky werknemers. Froth (Ilya Povolotsky) toont het barre leven in een afgelegen Russisch dorpje aan de Barentszee via impressionistische portretten van bewoners. Het vormexperiment Speak So I Can See You (Marija Stjnić) viert radio als collectief gemaakt én beleefd medium. En Aswang (Alyx Ayn Arumpac) onderzoekt de gevolgen van Duterte’s gewelddadige anti-drugsbeleid op de Filipijnse bevolking via een mozaïek van mensen die er zijdelings bij betrokken zijn. Stuk voor stuk tonen de films hoe geen mens alleen staat, hoe we allemaal een schakel zijn in een groter geheel.

Let’s Talk

Deconstructie
Ondertussen blijkt het in de hoofdcompetitie juist vaak te draaien om een verlies van vertrouwen in het collectief. Zo ontleedt Marianne Khoury in Let’s Talk hoe een familie ook als uitsluitende kracht kan werken. Khoury komt uit een prominente Egyptische filmfamilie. Ze is zelf een gevestigd producent en regisseur, haar dochter Sara is een opkomend filmmaker, haar oom is de gevierde regisseur Youssef Chahine. Een familie van wereldburgers die weliswaar zware tijden hebben gekend – veel van Chahines autobiografische films gaan over de Britse bezetting, economische malaise en familieconflicten – maar over het algemeen beter af waren dan de meesten van hun landgenoten. Khoury wil dat naar buiten geprojecteerde beeld van een succesvolle, gelukkige en beeldschone familie echter doorbreken. Haar moeder leed jaren aan depressies. Waarom werd daar zo achteloos mee omgegaan?

Let’s Talk is als deconstructie van de zogenaamde saamhorigheid van het familiesysteem een onvervalste egodocumentaire. Daarvan zijn er opvallend veel in de hoofdcompetitie – minstens een derde van de twaalf geselecteerde films kun je zo noemen. Van de Azerbeidzjaanse familiedocumentaire Mother & Son (Chilal Bajdarov), die het stille leven toont van het ouderlijk huis van de maker op het Azerbeidzjaanse platteland, tot de voormalige hartsvriendinnen Heidi Hassan en Patricia Pérez Fernández, die elkaar in het poëtische In a Whisper vanuit hun nieuwe woonplaatsen in Zwitserland en Spanje beeldbrieven sturen waarin ze terugblikken op hun jeugd in Cuba.

I Walk

Niemand doet de egodocumentaire zoals de Deen Jørgen Leth. Deze dichter, sportjournalist en filmmaker weet net als vriend en landgenoot Lars von Trier (met wie Leth in 2003 samenwerkte voor de documentaire The Five Obstructions) steeds weer een sensatie van zijn eigen leven te maken, wat vervolgens goed filmmateriaal oplevert. I Walk is Leth op zijn meest egocentrisch: het is een contemplatieve film waarin Leth de heftige Haïtiaanse aardbevingen van 2010 verwerkt die zijn huis hebben verwoest en zijn gezondheid hebben aangetast. I Walk gaat over afscheid nemen van “zijn Haïti”, het Haïti waar Leth verliefd op werd, en van zijn jeugd. Leth is nu een oude, minder mobiele man. Dat klinkt als het begin van het einde, maar hij vindt zijn nieuwe conditie uiteraard ook mateloos interessant. Hij trekt naar de jungle van Laos om er een kunstwerk over te maken.

La Mami

Voordat het te laat is
In beide competities gaan veel films over het rappe tempo waarin de wereld verandert. In de hoofdcompetitie doen veel makers wat Leth doet: ze staan erbij en kijken ernaar, ze beschouwen het als een soort onvermijdelijkheid. Die berusting tekent bijvoorbeeld de titelheldin van La Mami (Laura Herrero Garvin), een prachtig intieme vlieg-op-de-muur documentaire over de verzorgster van de danseressen in een louche nachtclub in Mexico-Stad. Mami kijkt nergens van op, heeft alles wel zo’n beetje gezien in het leven, en aan haar lijf geen polonaise. De Rwandese regisseur Kivu Ruhorahoza spreekt zelfs van een zekere machteloosheid in Europa, “Based on a True Story”. Zijn filmprojecten, status als immigrant en erkenning als mens worden hem ontnomen door de conservatieve Britse regering.

De regisseurs in de debuutcompetitie hebben daarentegen de ambitie om de grootse economische, culturele of ecologische veranderingen waar we voor staan te signaleren. Het beste voorbeeld daarvan is A Tunnel, een scherpzinnige documentaire over verschuivende economische wereldmachten. In het westen van Georgië graven Chinese projectontwikkelaars een tunnel voor de nieuwe zijderoute, een snelle verbinding tussen China en Europa. De Georgische filmmakers Nino Orjonikidze en Vano Arsenisjvili leggen het vast vanuit het perspectief van hun landgenoten en presenteren de groeiende Chinese invloed als een landjepik-thriller. De Chinezen worden op afstand gefilmd terwijl ze gestaag stukjes berg opblazen met dynamiet. Af en toe zorgt dat voor intense, in close-up geschoten conflicten tussen boze Georgiërs en achteloze Chinezen die elkaar niet kunnen verstaan.

Smog Town

Symptoombestrijding
A Tunnel geeft een vooruitblik op een toekomst waarin zulke vervreemdende ontmoetingen tussen nationaliteiten en klassen vaker zullen voorkomen. Ook de Chinese documentaire Smog Town signaleert hoe toekomstige problemen zich zullen voordoen. Regisseur Meng Hang laat zien hoe in de zwaar vervuilde stad Langfang het plaatselijke instituut voor milieubescherming onder leiding van afdelingsdirecteur Li ploetert om de lucht schoner te krijgen. Dit observerende bureaucratiedrama biedt een pijnlijk perspectief op de ecologische crisis waarin we wereldwijd verkeren: Li’s team werkt aan symptoombestrijding (kantoorluchtfilters, het sluiten van kleine ondernemingen zonder de goede vergunning) in plaats van de kern van het probleem aan te pakken.

Het is te kort door de bocht om te stellen dat de regisseurs van de debuutcompetitie, in tegenstelling tot die van de hoofdcompetitie, tot de kern van een probleem komen. Maar dat zij hun politiek geëngageerde documentaires op een grotere schaal benaderen is duidelijk. Overigens kunnen grootse onderwerpen ook op een kleine schaal behandeld worden, dat laten in de hoofdcompetitie films als Sunless Shadows en The Sea Between Us (Marlene Edoyan) zien. Edoyan koos ervoor om de nasleep van de Libanese burgeroorlog uit 1975 te onderzoeken in een documentaireportret van twee families. Het gekozen perspectief is piepklein, de schaal van het probleem – dat nu, door de grote vluchtelingstromen uit Syrië, enorm urgent is – gigantisch.

De tegenstellingen tussen deze twee groepen films – die alle 24 op hun eigen manier tot het beste behoren wat IDFA dit jaar te bieden heeft – zijn wellicht terug te voeren op grotere sociale bewegingen. Ruw geschetst: in de revolutie van de geëngageerde babyboomers stond het individu centraal – individuele vrijheid, zelfontplooiing, zelfbeschikking. De generaties die enkele decennia later zijn opgegroeid, kwamen terecht in een veel meer genetwerkte wereld – de Millennials en Centennials; Generatie Z; de iGeneratie. Die voeren een vergelijkbare strijd, maar denken vanuit het collectief. De IDFA-competities laten zien dat beide hun waarde hebben, en het ene niet per definitie effectiever is dan het ander. Zo presenteert het festival dit jaar politiek engagement op maat.