IDFA 2013: Onvoltooid verleden

De vloek van de herinnering

L’image manquante

Het verleden is een monster dat zich niet laat bedwingen. Op het IDFA blijkt dat uit een retrospectief van de Cambodjaanse filmmaker Rithy Panh en Le dernier des injustes, de nieuwe film van Claude Lanzmann.

Als de partij iemand een vijand noemde, dan was het een vijand, ook al was het je vader of je moeder, zegt een kampbewaarder in Rithy Panhs gruweldocumentaire S-21, la machine de mort Khmèr rouge (2003). Zoals Claude Lanzmann met Shoah de vernietigingsmachine die zes miljoen joden de dood injoeg uit elkaar haalde om het mechanisme te begrijpen, zo ontrafelt Rithy Panh in S-21 en in zijn nieuwe film L’image manquante de vernietigingsmachine van de Rode Khmer. Die slokte tussen 1975 en 1979 tussen de anderhalf en twee miljoen Cambodjanen op, een kwart van de bevolking (!). Tot de slachtoffers behoorden Panhs ouders, zussen, broers en veel andere familieleden.

Zelf zat hij van zijn elfde tot zijn vijftiende in een werkkamp en overleefde als enige van het gezin de gruwelen. Na de verdrijving van het Rode Khmer-regime in 1979 door de Vietnamezen vluchtte hij naar Thailand en na een verblijf in een vluchtelingenkamp lukte het Panh om naar Frankrijk te emigreren. Toen hij op een feestje een camera in zijn handen kreeg geduwd met het verzoek de sfeer vast te leggen, was Panh gewonnen voor film en meldde hij zich aan voor een filmopleiding. Naar een onderwerp voor zijn films hoefde hij niet te zoeken: Cambodja’s recente gruwelgeschiedenis en de invloed ervan op het huidige Cambodja. Hij bleef in Frankrijk wonen, maar ging films maken in en over Cambodja. Vijfentwintig jaar oud maakte hij in 1989 zijn debuut met Site 2, een documentaire over Cambodjaanse vluchtelingen in een opvangkamp in Thailand. De Rode Khmer was weliswaar in 1979 verslagen, maar leider Pol Pot had zich met een legertje getrouwen teruggetrokken in het bergachtige grensgebied tussen Cambodja en Thailand, van waaruit hij een guerrilla voerde. Veel bergbewoners vluchtten voor het geweld naar Thailand.

Spookstad
Site 2 was een omtrekkende beweging om uit te komen bij wat de kern van Panhs oeuvre zou worden: de verschrikkingen van het Rode Khmer-regime. Zijn levensdoel is om met zijn werk de herinnering daaraan levend te houden. Want wat gebeurd is, mag niet in het zwarte gat van de vergetelheid belanden. Panh is de Cambodjaanse versie van Nederlanders die op 4 mei zeggen dat we dit nooit mogen vergeten. Het verschil is dat in Nederland veel mensen hiervan doordrongen zijn, maar dat de Cambodjanen het verleden lange tijd negeerden. Pas in 2006 werd een tribunaal opgericht voor de berechting van Khmer-aanhangers.

Panh legt met z’n films de meedogenloosheid van het ideologisch extremistische bewind bloot. Voor het eerst deed hij dat met Bophana, une tragédie cambodgienne (1996). De film is gebaseerd op de briefwisseling van twee jonge geliefden die in 1976 door de Rode Khmer gemarteld en vermoord werden. Hun misdaad? Ze hadden geen toestemming om met elkaar om te gaan. De moord illustreert de absurditeit van de Rode Khmer-­ideologie, die bestond uit een archaïsch collectivistisch agrarisch utopisme. Daarin was ook de liefde ondergeschikt aan het collectieve belang.

De communistische Rode Khmer, met als leider Pol Pot, had zich laten inspireren door Mao’s China, maar ging nog veel verder. Mao’s Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961), waarin twintig miljoen mensen de hongerdood vonden, werd in Cambodja de Supergrote Sprong Voorwaarts. De door de Rode Khmer gehanteerde benaming klinkt kinderlijk, maar de uitwerking was gruwelijk. Het doel van de Supergrote Sprong Voorwaarts was de totale vernietiging van de oude maatschappij. Cambodja, dat voortaan Democratisch Kampuchea heette — een cynischer verkrachting van het woord democratisch is onmogelijk — werd een collectivistische agrarische maatschappij, waarin individuele verlangens en behoeften als egoïstische relicten van de ‘oude maatschappij’ uitgeroeid moesten worden.

Winkels en scholen werden gesloten, geld afgeschaft en religie verboden. Van de twintigduizend monniken overleefden slechts tweeduizend het terreurbewind. Het extremistische agrarisch utopisme leidde tot het opheffen van steden, want in de nieuwe maatschappij zouden alleen agrarische communes bestaan. Alle twee miljoen (!) inwoners van Phnom Penh werden naar het platteland gestuurd. De Cambodjaanse hoofdstad werd een spookstad.

Uitroeiing
In de agrarische werkkampen werden de Cambodjanen als slaven aan het werk gezet. Machines waren kapitalistische uitvindingen die niet pasten bij de communistische werkethiek, vonden de leiders, zodat de landbouwslaven bergen grond en stenen met de hand versjouwden. Familie was een achterhaald concept, zodat mannen en vrouwen van elkaar en hun kinderen werden gescheiden. Het sociale experiment moest een voorbeeldige klasseloze samenleving opleveren, maar leidde tot honderdduizenden doden door uitputting en honger.

Tienduizenden andere Cambodjanen werden vermoord omdat zij niet geschikt werden geacht voor de nieuwe samenleving. Mensen die een vreemde taal beheersten en konden lezen en schrijven waren bij voorbaat verdacht. Voelden zij zich beter dan de arme plattelandsbevolking? Veel van hen belandden in een tot gevangenis omgebouwde hogeschool in Phnom Penh, de S-21. Na absurde, door marteling afgedwongen bekentenissen werden zij in een dorpje buiten Phnom Penh geëxecuteerd. Naar schatting twintigduizend mensen trof dit lot. Hun lichamen werden in massagraven gegooid, de beruchte killing fields van het Pol Pot-­regime. Panhs documentaire S-21, la machine de mort Khmèr rouge gaat over deze hel.

De film confronteert toenmalige bewakers — ongeletterde plattelandsjongens die nauwelijks de tienerleeftijd waren ontgroeid — met twee gevangenen die S-21 overleefden. De verklaringen van de bewakers geven inzicht in wat er nodig is voor een succesvolle genocide. Zonder de overtuiging dat de maatschappij beter af is zonder bepaalde groepen mensen, lukt het niet. In de propaganda van de Rode Khmer waren de Cambodjaanse elite en middenklasse, maar ook de Chinese en Vietnamese inwoners van Cambodja, obstakels op de weg naar de klasseloze maatschappij. De boodschap was duidelijk: zij moesten worden opgeruimd. Door hen te ontmenselijken, werd uitroeiing mogelijk. In de woorden van een bewaker: “Ik zag hen niet als mensen maar als dieren.” Het taalgebruik paste zich hierbij aan. De leiders van de Rode Khmer spraken niet over doden, maar over ‘destructie’ van gevangenen — een woord dat doet denken aan kadavers. Cambodjaanse gevangenen in S-21 werden behandeld alsof zij al dood waren. Als ziekenhuizen bloed tekortkwamen, werd bij gevangenen al het bloed afgetapt, wat zij uiteraard niet overleefden. Om kogels uit te sparen werden de gevangenen vermoord door een slag met een stalen pijp in de nek, waarna hen de keel werd doorgesneden. Laten we stoppen met het opsommen van gruwelijkheden.

Propaganda
De films van Rithy Panh leggen met ijzingwekkende precisie de logica van een extremistische ideologie bloot. Wie een volledig nieuwe samenleving wil, zal de oude moeten vernietigen. Alle dictators in de twintigste eeuw brachten deze gedachte meedogenloos in de praktijk. Alles wat in de weg stond van hun utopie roeiden ze uit. In Cambodja waren intellectuelen en etnische minderheden goede mest voor de rijstaanplant, vond Pol Pot. Mao offerde miljoenen mensen op aan zijn economische waanbeelden. De door Stalins collectivisatie van de landbouw veroorzaakte hongersnood eiste miljoenen levens. Hitler roeide op weg naar zijn utopie zes miljoen joden uit. Een onvoorwaardelijk geloof in hun denkbeelden is wat deze dictators gemeen hadden. Propaganda moest de kloof dichten tussen de werkelijkheid en hun utopie.

In de nazipropaganda was concentratiekamp Theresienstadt een ‘modelkamp’. De vijftigduizend joden hadden er volgens de propagandafilm Der Führer schenkt den Juden eine Stadt een geweldig leven. Hoe het werkelijk toeging in Theresienstadt is te zien in Claude Lanzmanns Le dernier des injustes. De 3,5 uur durende film bevat een lang interview uit 1975 van Lanzmann met Benjamin Murmelstein, die het laatste halfjaar van de oorlog de joodse leider in Theresienstadt was. Was hij een collaborateur of ‘een burgemeester in oorlogstijd’ die er het beste van maakte? Lanzmann wilde het interview in Shoah gebruiken, maar het paste inhoudelijk niet in de film. Bijna veertig jaar later roept het complexe vragen op over collaboratie en verzet. Hoe moeten we Murmelstein beoordelen? Werkte hij met de Duitsers samen om stiekem verzet te kunnen plegen? Redde hij door samen te werken mensenlevens? Of was hij een lafaard die alles deed om zijn eigen leven te redden? De kijker moet zelf zijn conclusies trekken.

Kinderspel
Dat de films van Lanzmann en Panh zo veel indruk maken, komt door de gruwelijke inhoud, maar ook door de inventieve benadering van het verleden. Net als in Shoah bezoekt Lanzmann in Le dernier des injustes ‘schuldige landschappen’, waarin vaak geen spoor meer is te vinden van het wrede verleden. De natuur wist het verleden uit, maar de mens kan dat niet. Het verleden blijft hem achtervolgen.

Lanzmann benadert het verleden soms indirect, maar Panh zoekt de confrontatie. Met S-21, la machine de mort Khmèr rouge was hij in het documentairegenre een voorloper van re-enactment, het naspelen van gebeurtenissen. Bij het naspelen door bewakers van hun behandeling van gevangenen lopen de kijker de rillingen over de rug. Joshua Oppenheimer heeft zich met The Act of Killing, waarin bejaarde Indonesische mannen het vermoorden van communisten na Soeharto’s staatsgreep in 1965 naspelen, ongetwijfeld laten inspireren door S-21.

Dat Panh er telkens weer in slaagt om de gruwelgeschiedenis van de Rode Khmer in een nieuwe inventieve documentaire vorm te gieten, bewijst dat hij een enorm creatieve filmmaker is. Met zijn laatste film, het voor beste Europese documentaire genomineerde The Missing Picture, overtreft hij zichzelf. Met de aangrijpende film vertelt hij voor het eerst het levensverhaal van zijn familie en zichzelf. Uniek is dat hij kleipoppetjes gebruikt voor de reconstructie van zijn herinneringen aan de kampen waarin hij zijn familie verloor. Het verschil tussen de poppetjes, die automatisch de associatie met kinderspel oproepen, en het gruwelijke verleden, levert een intens emotionerende film op, die de kijker met verbijstering achterlaat over de ellende die extremistische ideologieën aanrichten.

Panhs poging om met de reconstructie definitief met het verleden af te rekenen (‘Ik wil het allemaal achterlaten. Mijn taal. Mijn land.’) lukt niet. Vlak voor het einde van L’image manquante ligt een ‘dood’ poppetje in een kuil. Er wordt aarde op gegooid, die als bij toverslag verdwijnt, waarna er weer aarde op wordt gegooid, die ook weer verdwijnt. De boodschap is duidelijk: het verleden laat zich niet begraven.