De dromen van Resurrection
Een droom apart
Resurrection. Still: Liu Yuan
Wat kan één persoon, dat twee niet kunnen? Dromen, zo luidt het antwoord in Resurrection.
“Ik kijk tegenwoordig niet zo veel films meer”, vertelt een vriendin. We zitten bij mij thuis aan tafel en spreken over wat we de laatste tijd hebben gezien. “Ik wil niet te veel van het leven missen”, vervolgt ze en gebaart naar buiten. Door het openstaande raam hoor ik vaag het geluid van spelende kinderen. Of misschien verbeeld ik het me wel, want plots voel ik me weer zoals vroeger op school, wanneer de bel net heeft geluid en het schoolplein volstroomt met kinderen terwijl ik nog binnen zit, met dat drukkende gevoel in mijn maag dat ik nu associeer met het bekijken van andermans leven door de kleine vensters van Instagram.
Ik moet aan dit gesprek denken wanneer ik enkele maanden later het filmfestival van Cannes bezoek. Tijdens de twee weken daar kijk ik zoveel films dat ik al snel het contact met de buitenwereld verlies. Zelfs mijn lichaam begint als een beperking te voelen.
Behoeften als eten en slaap zijn vervelende onderbrekingen in een aaneenschakeling van films. Even vraag ik me af of deze films ook tellen als schermtijd en hoe duizelingwekkend hoog mijn totaal nu wel niet moet zijn.
Een van de films die ik zie is Resurrection. In die film heeft de mensheid haar dromen opgegeven voor het eeuwige leven. Toch zijn er nog steeds mensen die dromen. Ze worden ‘deliriants’ genoemd, aldus de Engelse ondertitels: delirische delinquenten die worden vervolgd voor hun nachtelijke dromen.
Wat kan één persoon, dat twee niet kunnen?, vraagt iemand in Resurrection. Dromen, zo luidt het antwoord. En toch blijkt dit meteen al onjuist. We krijgen de dromen van een deliriant namelijk daadwerkelijk te zien. Zijn dromen leiden ons door de filmgeschiedenis, van stille film tot film noir en romantische film.
De relatie tussen dromen en film is zo oud als het medium zelf. Vroege toverlantaarnvoorstellingen in de zeventiende en achttiende eeuw toonden surrealistische droombeelden. Hollywood wordt ook wel de ‘droomfabriek’ genoemd, een idee dat David Lynch verkent in zijn film Mulholland Drive (2001). Hoewel Freuds theorieën in de moderne psychologie in diskrediet zijn geraakt, hebben zijn ideeën over droomanalyse nog steeds een grote invloed op de filmwereld. Federico Fellini benoemde al hoe in films jaren in seconden kunnen voorbijgaan, en hoe elk voorwerp in films betekenis heeft, “net als in een droom”.
Resurrection gaat aan het einde van het festival in première en wordt ’s avonds vertoond. Ik kijk de film om middernacht, met mijn hoofd nog vol van de andere films die ik die dag heb gezien. Veel bezoekers hebben kritiek op het late tijdstip: een bijna drie uur lange film van Bi Gan moet je niet zo laat op een festival programmeren, wanneer vermoeidheid bij de filmgangers heeft toegeslagen. Achteraf gezien is het misschien juist het perfecte moment. Balancerend op de grens tussen waken en slapen, voel ik me alsof ik zelf in een droom zit, alsof ik met het personage mee droom.
Wanneer ik het theater verlaat, denk ik na over de prijs die men in Resurrection betaalt voor het eeuwige leven. Bi Gan legt niet uit hoe het precies komt dat mensen zonder dromen eeuwig kunnen leven. Toch lijkt het verband tussen het opgeven van dromen en het eeuwige leven vanzelfsprekend. Niet alleen brengen mensen een derde van hun leven slapend door, tegenwoordig bevinden velen zich ook overdag urenlang in een soortgelijke toestand, wanneer ze door beelden op hun telefoon scrollen en toekijken hoe de levens van anderen voorbijflitsen. Hoeveel uren zit ik bovendien in het filmtheater, waar ik word meegenomen naar andere tijdperken en plekken?
Toch zou ik zonder film iets van de werkelijkheid missen. Wanneer mijn vriendin suggereert dat ik het echte leven misloop door zoveel films te kijken, wil ik daar dan ook onmiddellijk tegenin gaan. Heb ik dan geen voeling met de werkelijkheid door films te kijken? Ik zou zelfs zo ver willen gaan om te stellen dat ik, tijdens het kijken van een goede film, de werkelijkheid in de bek kijk. Dat film me iets laat aanraken dat echter aandoet dan het leven zelf.
Misschien ben ik, na zoveel tijd in het filmtheater te hebben doorgebracht, verbeelding en werkelijkheid door elkaar gaan halen. Soms duikt er een beeld op in mijn hoofd, en weet ik niet zeker of het uit de droom van gisteren komt of uit mijn leven, of dat ik het misschien in een film heb gezien. Ik betrap mezelf er ook steeds vaker op dat ik zeg: “Als dit een film was, dan…” Op feestjes komen mijn anekdotes steevast uit films, en als iemand een weetje deelt, antwoord ik vaak dat ik dit eerder in een film heb gezien.
Of misschien heb ik mijn ogen geopend voor de verbeelding die altijd al in de werkelijkheid aanwezig is. De kruisverbanden, de levens die worden geleefd door naar anderen te luisteren, hoe alles begint met verbeelding.
De eerste keer dat ik Resurrection zag, was ik zo overweldigd dat ik aanvankelijk aarzel om de film nog eens te bekijken wanneer me gevraagd word om erover te schrijven. Ik ben bang dat een tweede kijkbeurt zal afdoen aan die eerste ervaring, die zo indrukwekkend was dat ik er geen woorden voor kon vinden.
Normaal gesproken ben ik juist bang dat ik iets op het scherm mis wanneer ik een film kijk. In het theater concentreer ik me intens en laat ik mijn blik over het beeld schieten om details op te pikken, zoals titels van boeken in de achtergrond en zelfs merknamen van lampen of kleding, terwijl ik tegelijkertijd opvallende zaken in de dialoog noteer. Toch ontgaat me nog steeds van alles. Ik zou graag elke film een tweede of derde keer willen bekijken voordat ik erover schrijf, maar dat kan zelden.
In Charlie Kaufmans roman Antkind vindt hoofdpersonage B. Rosenberger Rosenberg dat een goede film zeven kijkbeurten vereist. Dat klinkt absurd, maar ik herken er wel iets in. Niet alleen omdat je steeds weer nieuwe details ontdekt, maar omdat een film zich bij elke kijkbeurt opnieuw lijkt te vormen, alsof je elke keer een nieuwe film te zien krijgt.
Ik denk in ieder geval vaak dat ik me een film heel duidelijk voor de geest kan halen, maar als ik hem vervolgens opnieuw bekijk word ik altijd met de onjuistheden van mijn herinnering geconfronteerd. Wat ik dacht dat de openingsscène was, vindt eigenlijk pas na tien minuten plaats. Dat ene shot blijkt helemaal niet in de film te zitten. Zelfs de films waar ik dol op ben, de films die ik al talloze keren heb gezien, zien er in mijn hoofd totaal anders uit.
Als Fellini gelijk had toen hij zei dat praten over dromen hetzelfde is als praten over films, dan werpen dromen misschien enig licht op de zaak. Ook als ik terugdenk aan mijn dromen, blijven er alleen wat losse beelden en een vaag gevoel over. Natuurlijk fantaseren we over een manier om onze dromen vast te houden, middelen waarmee we ze in wakkere toestand kunnen bekijken of manieren om elkaars dromen te bezoeken. Maar een droom is juist een droom omdat hij ongrijpbaar blijft.
Dus, kunnen twee personen samen dromen? Misschien is dat de schoonheid van filmkunst: we kunnen niet letterlijk samen dromen; behalve wanneer die droom op het scherm wordt gedeeld. En toch is het me nog nooit overkomen dat ik het theater verliet met exact dezelfde ervaring als de persoon naast me. Film is een collectieve droom, maar ieder van ons droomt hem op een andere manier.
Als film een droom is, dan is het misschien juist passend dat hij ons altijd ontglipt. Wat ons rest, zijn de fragmenten en de betekenis die we eraan geven. Die zijn volledig van ons.