Hollandse Nieuwe 2026: Yan Ting Yuen over We need to talk about sex
‘Bij mij werden de ogen pas echt geopend door de #MeToo-affaires’
Yan Ting Yuen. Foto: Masha Osipova
In de reeks Hollandse Nieuwe beantwoorden makers van een film of serie die op de komende editie van het Nederlands Film Festival in première gaat elk dezelfde vijf vragen.
1. Waar gaat je film over? “In We need to talk about sex onderzoeken we de structuren die de ongelijkheid tussen vrouw en man in stand houden vanuit zoveel mogelijke uiteenlopende kanten. Vrouwelijke experts op gebied van seksualiteit tot economie, van beeldcultuur tot leiderschap en macht, proberen de ongelijkheid te ontleden en verklaren, zowel op systeemniveau als op het niveau van gewoon menselijk gedrag. In het emotionele hart van de serie volgen we twee moedige vrouwen – komend uit extreme vormen van ongelijkheid – die door het bekijken van nagespeelde fictiescènes hun eigen verleden onderzoeken. Ze stellen zichzelf daarbij de belangrijke vraag: waarom ben ik in deze ongelijke situatie terechtgekomen?”
2. Waarom wilde je deze serie maken? “Omdat ik al in een ‘benadeelde’ groep val, kind van migrantenouders, was ik nooit zo bezig met feminisme of de vrouwenzaak. Het was voor mij sowieso al een gegeven dat ik harder moest werken dan anderen om mij heen, dus viel ongelijkheid veroorzaakt door het feit dat ik een vrouw ben mij nooit zo op. Mijn coregisseur Annegriet Wietsma was wel al jaren bezig voor de vrouwenzaak. Bij mij werden de ogen pas echt geopend door de #MeToo-affaires. Toen ik in deze serie dook, werd het mij, mijn Docmakers-productieteam en crew steeds duidelijker hoe ongelooflijk diep de ongelijkheid zich heeft genesteld in de haarvaten van onze samenleving, maar ook hoezeer we deze geïnternaliseerd hebben. Door het laten zien en bespreken van al die aspecten zet je echt een andere bril op. En eenmaal met die feministische bril op kun je het niet meer ‘niet-zien’, zeker in deze tijden waar wereldwijd bewegingen ontstaan die vrouwen opnieuw terugduwen in traditionele genderrollen.”
3. Wat is je droomproject en waarom is het nog niet gemaakt? “Heb je even? Ik heb zoveel droomprojecten gehad, sommige daarvan heb ik gelukkig kunnen maken, anderen liggen nog steeds in een la te verstoffen. Maar als ik nu zou mogen kiezen, zou ik het liefst een fictiespeelfilm of -serie willen maken met Aziatische hoofdpersonen voor een groot publiek. De gatekeepers van omroepen, de financiers, roepen altijd heel snel dat zoiets ‘te niche’ is voor het Nederlands publiek, ‘dat spreekt ze niet aan’. Maar hoe weten ze dat als het nog nooit hier is gemaakt? In het buitenland, met name Amerika, winnen series als Beef of speelfilms als Everything Everywhere All at Once of Parasite alle prijzen én worden bekeken door een groot publiek. Wie durft in Nederland hierin de eerste te zijn? Bel me!”
4. Waaraan ontbreekt het in de Nederlandse film? “Ik denk eigenlijk dat het momenteel steeds beter gaat met de Nederlandse film. Ik denk dat het heel bijzonder is hoe de industrie constant met alle stakeholders, en ook met de makers praat. Dat gebeurt echt niet in zoveel andere landen. Er is de laatste jaren veel aan zelfreflectie gedaan. Vanuit het Filmfonds wordt geprobeerd omwentelingen in de maatschappij te vertalen in beleid voor vernieuwing, en tegelijk in het bereiken van een zo groot mogelijk publiek. Ik zie positieve bewegingen aan de filmacademies en scholen. De publieke omroep is van nature behoudend, en daar is zoveel gaande door de bezuinigingen dat het nog onduidelijk is welke kant dat allemaal op zal gaan. Het gaat langzaam, heel langzaam, dat wel, maar als het maar de juiste richting uit gaat. Ondertussen ben ik heel blij met onze successen op documentaire gebied. Het wordt zo onderschat hoe succesvol Nederland hierin is. En ik ben blij met een fictiespeelfilm zoals Voor de meisjes van Mike van Diem.”
5. Wat was een bepalend filmmoment in je leven? “Ik was rond tien jaar en ging naar Star Wars: Episode IV: A New Hope. Ik was flabbergasted, heb de film wel dertig keer gezien, zeker vijf keer in de bioscoop en daarna op vhs-band. Die film was op die leeftijd zo indrukwekkend voor mij. Hierdoor wist ik dat ik ‘iets’ met film wilde doen, niet wetende hoe of wat. Uiteindelijk ben ik als autodidact in de film- en televisiewereld terechtgekomen. Toen ik de film op latere leeftijd terugzag, snapte ik beter waarom die zo op mij inwerkte. Het is een kinderfilm die alle juiste knoppen indrukt. Alles is zwart of wit, een jonge hoofdpersoon die snakt naar een beter leven. Later pas ontwikkelde ik mijn smaak en leerde de volle reikwijdte van speelfilm en documentaire kennen, maar daar, in een bioscoopzaaltje in Maastricht, hoogzomer, buiten 30 graden, vatte ik de liefde op voor het vertellen van verhalen door middel van beelden.”
We need to talk about sex is te zien op het Nederlands Film Festival (25 september t/m 2 oktober 2026).