Sing Street
De muze en het bandje
Jongen ziet meisje; meisje kijkt door hem heen; jongen begint band. En dat alles in het Dublin van de jaren tachtig, sprankelend tot leven gewekt in John Carney’s semi-autobiografische sprookje Sing Street.
Wat doe je als het meisje van je dromen zegt dat ze model is? Juist ja: dan bedenk je een reden om haar te filmen. En zo zit er voor tiener Conor niets anders op dan het bandje dat hij verzon echt te beginnen, zodat ze de videoclip die hij verzon echt kunnen opnemen. Zodat hij die zoen met fotomodel Raphina, die hij ook maar vast verzon, heel misschien óók ooit echt kan worden.
Zo ontstaat in het Dublin van de jaren tachtig de band Sing Street, een knipoog naar de katholieke Synge Streetschool waar Conor zijn groep wannabe’s in allerijl bij elkaar scharrelt, met gitarist en songschrijver Eamon als grootste hulp. Zoals menig beginnend bandje speelt Sing Street in eerste instantie vooral hun helden na: wanneer Conors oudere broer een lofzang op Duran Duran opzet, klinkt het volgende liedje van Sing Street als Duran Duran; als Eamon met de nieuwe plaat van The Cure op de proppen komt, wordt dát hun sound, en hun kleding en kapsels veranderen mee. Regisseur John Carney en zijn crew — met een hoofdrol voor songwriter Gary Clark — hebben duidelijk flink plezier in het optuigen van die pastiches.
Het verhaal van hoe Conor in Raphina zijn muze vindt en verovert vormt de rode draad van Sing Street, maar eigenlijk is de film sprankelender waar Carney toont wat die muze teweegbrengt. Conor en Eamon gaan een muzikaal partnerschap aan waarin beiden het beste en meest creatieve in de ander boven brengen. De scènes waarin zij samen een idee of stukje tekst uitwerken tot een liedje zijn de meest levendige van de film, op een manier die tegelijkertijd levensecht overkomt en te mooi is om waar te zijn.
Die balans houdt Carney op veel vlakken vol. Ongetwijfeld ligt daaraan ten grondslag dat hij Sing Street deels op zijn eigen jeugd baseerde. In interviews verduidelijkt hij de grenzen van die autobiografie. Wel echt: het beginnen van een bandje om het meisje te krijgen; niet echt: dat het nog lukt ook. Wel echt: de pesterijen op school, maar niet: de getroebleerde gezinssituatie, en al helemaal niet het met de muziek inpakken van de pestkoppen. Kortom: Sing Street is zowel autobiografie als tienerdroom, en hinkt ook in zijn vorm zowel op realisme als op de hyperstilering van een videoclip. Een beetje zoals een goed liefdesliedje: compleet waarachtig, en toch grootser dan de realiteit.
Joost Broeren