LE PETIT POUCHET
Woeste wolven en een mensenetende reus
Koningin Catherine Deneuve
Le petit poucet is een opmerkelijk gestileerde versie van het sprookje Klein Duimpje. Met zijn wrede enscenering richt Fransman Olivier Dahan zich niet op kinderen, maar op volwassenen met een morbide fantasie.
Tijdens een symposium op het Festival van de Fantastische Film werd onlangs weer eens geconstateerd dat de fantastiek in Nederland maar niet van de grond wil komen. Of het nou door geldgebrek komt of door onwil van de Hollandse filmbonzen: drie jaar trekken en duwen van het bonte filmmakersgezelschap dat zich de De Fantasten noemt, heeft tot dusver weinig meer opgeleverd dan een manifest en een handvol korte films.
Misschien zouden die Fantasten er goed aan doen om eens hun licht op te steken in Frankrijk. Uit het land dat van oudsher bekend staat om zijn eindeloze ouwehoerdrama’s komen de laatste jaren met regelmaat horror- en fantasyfilms. Natuurlijk zit daar het nodige fletse genrewerk tussen, zoals de met veel lucht opgeklopte remake van de oude tv-serie Belphégor. Toch zien ook vernieuwende genrefilmers als Christophe Gans (Le pacte des loups) en Pitof (Vidocq) kans om in het Franse filmklimaat hun ambitieuze producties te realiseren. Een overeenkomst tussen de genoemde films is hun hang naar esthetiek, en hun ver doorgevoorde stilering in enscenering, montage en cameravoering. Artificialiteit is ook het eerste dat opvalt aan Le petit poucet, de bewerking die cineast en videoclipmaker Olivier Dahan maakte van Klein Duimpje. Dahan situeerde zijn versie van het aloude sprookje in een theatrale wereld, waarin veelvuldig gebruik wordt gemaakt van met landschappen beschilderde achtergronddoeken en gekleurd kunstlicht.
Boze buitenwereld
Gretig haalt Dahan alle gruwelen die in het verhaal over Klein Duimpje schuilen voor het voetlicht. De kinderlijke angst om door je ouders in een bos te worden achtergelaten valt af te lezen van de met vuil besmeurde gezichten van de jeugdige hoofdrolspelers. De boze buitenwereld wordt daarnaast zo bedreigend mogelijk afgeschilderd. In het bos schuilen woeste wolven die ronddolende kindertjes zoals Klein Duimpje en zijn broertjes dolgraag willen verscheuren. Eenmaal buiten het bos zijn ze evenmin veilig, want daar voert Dahan een brute legermacht op, die plunderend en brandstichtend door het land trekt. En als klap op vuurpijl staat er midden in het bos ook nog dat in een bloedrood licht badende huis van de reus, een mensenetend monster dat er des te enger uitziet omdat achter zijn imposante kaken van staal ook nog een tweede hongerige mond blijkt schuil te gaan.
In de meeste, op kinderen gerichte, bewerkingen van het sprookje ligt de nadruk op de slimheid van die dekselse Klein Duimpje. Het menneke kan immers de weg naar huis terugvinden door een spoor van kiezelsteentjes achter te laten, en hij overwint de domme reus door hem zijn eigen kroost te laten opeten. In Dahons film is de slimheid van Klein Duimpje niets minder dan een basisvoorwaarde om te kunnen overleven in een vijandige wereld. Die wereld komt niet alleen tot leven door de onwerkelijke en fantasierijke tableaus die de regisseur op het doek tovert. Ook de unheimische filmmuziek van de Japanner Jô Hisaishi, de vaste componist van Takeshi Kitano, draagt flink bij aan de onheilspellende sfeer.
Fritz de Jong