MYKOSCH
God achter de montagetafel
Fictief interview met fictieve Hongaarse regisseur
Regisseur en scenarist Danniel Danniel betreedt met Mykosch het postmoderne grensgebied tussen fictie en werkelijkheid. Men moet van goeden huize komen om over dit uitgekauwde onderwerp nog iets origineels te melden. Danniel is dat gelukt. Met een even gekunsteld als kunstig scenario en een ingenieuze montage maakte hij een fascinerende semi-documentaire over een fictieve filmregisseur.
"To kill or not to kill", dat is de essentie van regisseren volgens Mykosch Galtay, een fictieve Hongaarse regisseur, die in 1954 debuteerde in Boedapest, eind jaren vijftig naar Parijs emigreerde en nu in Nederland werkt aan Jean zal sterven, een relatiefilm over twee dertigers (gespeeld door Thom Hoffman en Anne Cavadino). Zojuist heeft Mykosch achter de montagetafel zijn interviewer, de documentairemaker Pieter van den Berg, getoond hoe in zijn nieuwe film hoofdpersoon Jean door een auto wordt aangereden als die even een pak suiker gaat kopen. Wil Van den Berg liever dat Jean blijft leven? Dan monteert Mykosch een ander stuk film voor het fatale ongeluk. De regisseur is God in de montagekamer. Hij heeft alle touwtjes in handen en kan met film zijn eigen werkelijkheid scheppen.
Mykosch volgt de jonge filmmaker Pieter van den Berg, die een documentaire maakt over Mykosch. Aan de hand van gesprekken en filmfragmenten geeft Van den Berg een beeld van het werk van de regisseur. En van diens leven natuurlijk, want onophoudelijk stelt hij de onvermijdelijke interview-vraag hoe autobiografisch de films van de Hongaar zijn. De oude regisseur wuift iedere suggestie in die richting eenvoudig weg door te zeggen dat film fictie is. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met de kogel die tijdens de draaiperiode van de documentaire uit Mykosch’ lichaam wordt verwijderd? Is de hoofdpersoon uit zijn debuutfilm, Schot in het duister, niet toch zijn alter ego? Gaandeweg blijkt dat Mykosch niet alleen de realiteit in zijn films, maar ook de fragmenten uit zijn leven naar believen verschillend monteert en zo mystificeert. Fictie en werkelijkheid lopen door elkaar.
Mitella
De grens tussen Fictie en Werkelijkheid, het is een uitgekauwd onderwerp — immers een van thematische kurken waar postmoderne films en literatuur op drijven — en bijna een onontkoombaar thema in een fictieve documentaire over een filmregisseur. Mykosch heeft inderdaad het stramien van een fictieve documentaire, maar Danniel, die in 1988 succesvol was met Ei en van wie eerder dit jaar Tralievader, de verfilmde novelle van Carl Friedman, was te zien, gaat veel verder. Hij jongleert kunstig met de vele lagen van de film, en houdt door het doortimmerde scenario alle ballen in de lucht.
De spil is de scène uit Jean zal sterven, waarin de vriendin van Jean, terwijl ze met haar minnaar belt, hem om een pak suiker de deur uit stuurt. Shots van deze scène worden enige malen herhaald en rijmen zo telkens op een andere manier op fragmenten uit de semi-documentaire. Zo volgt Jeans auto-ongeluk een keer op een pannekoek die in de lucht wordt gegooid, maar later wordt zijn val parallel gemonteerd met het einde van de filmmaker — en zo ook van de documentaire.
Door de virtuoze montage speelt Danniel een even geraffineerd kat- en muisspel met de kijker als Mykosch met zijn interviewer. Zo lijkt Jean aanvankelijk als gevolg van zijn auto-ongeluk zijn arm in een mitella te dragen, maar later blijkt dat hij zijn arm verwond heeft toen hij uit jaloezie een venster van de douchecabine waarin zijn vriendin stond, kapot sloeg.
Filmveteraan
Terloops tekent zich in Mykosch ook een mooi contrast af tussen de bedeesde documentairemaker Pieter van den Berg (Roef Ragas) en Mykosch (de soms nogal moeilijk verstaanbaar Nederlands pratende, maar goed spelende Juan Carlos Tajes), het protoype van de aimabele filmveteraan — bril met halve glaasjes op zijn neus, vlinderdasje — die aan de hand van fragmenten uit zijn werk lustig over het wezen van de cinema orakelt ("Climax maakt betekenis!"), zonder dat zulke uitspraken echt irritant worden.
De filmfragmenten laten zien hoe het oeuvre van Mykosch zich in de loop van de decennia heeft ontwikkeld. Doordat Danniel alle filmscènes — die op locatie in Roemenië, Frankrijk, België en Nederland zijn geschoten — telkens door een andere cameraman heeft laten filmen, geven ze een goede indruk van de verschillende artistieke stromingen, die Mykosch in de loop van veertig jaar heeft ondergaan. Danniel maakt echter niet van alle fragmenten even inventief gebruik en dat maakt Mykosch niet zo hermetisch als zou kunnen (en mogen). Uit de filmfragmenten, het interview en de telkens terugkerende droom van Mykosch kunnen we niet anders concluderen dan dat fictie, werkelijkheid en dromen uiteindelijk allemaal een pot nat zijn.
Pieter Bots