World Wide Angle (NL) – 17 november 2010

  • Datum 17-11-2010
  • Auteur
  • Deel dit artikel

ZODIAC

De Australische filmcriticus Adrian Martin schuimt het wereldwijde web af. Hij becommentarieert opvallende discussies en tendensen rond films en filmmakers, in webzines, weblogs, etc. Aflevering 36: ‘Make me feel mighty real’*

Er gebeurde iets interessants in de hedendaagse cinema toen David Finchers film zodiac uitkwam in 2007. Het was een bescheiden commercieel succes en, belangrijker nog, een film die door invloedrijke critici werd geprezen: Kent Jones in de Verenigde Staten, Thierry Jousse in Frankrijk. Wat zij zagen en waardeerden in Finchers film was zijn trouw aan de soms verwarrende feiten van het waargebeurde onderzoek naar de Zodiac-moorden — zelfs al leidt dit niet tot een bevredigende oplossing.
Met zodiac begon een kleine trend onder ambitieuze regisseurs. Steven Soderberghs tweedelige che (2008) volgde hetzelfde pad, Olivier Assayas voerde deze benadering verder door in carlos (2010), zijn miniserie voor televisie, en nu doet Fincher zelf weer een duit in het zakje met the social network (2010). Deze films hebben belangrijke elementen gemeen: ze zijn uitvoerig (hoe langer hoe beter); ze zitten vol met scènes waarin veel gepraat wordt en weinig gebeurt; hoewel er officieel een hoofdpersoon is, lopen er in feite allerlei figuren rond in het verhaal; die figuren vormen de sociale achtergrond van de tijd waarin de film speelt — zelfs wanneer het erom gaat (zoals in het geval van Fincher) om banale omstandigheden te herscheppen met behulp van digitale technologie.
Eigenlijk hebben al deze regisseurs zich in deze films ontpopt als historici, historici van de werkelijke wereld, niet van de fantastische. Realisme, dat is waar ze naar op zoek zijn. Geen complexe vorm van postmodern realisme en ook geen ouderwets neorealisme, want dit zijn niet de verhalen waar De Sica en Zavattini van hielden, over anonieme daklozen bijvoorbeeld. Juist het tegenovergestelde: deze verhalen gaan over beroemde politici, rebellen, uitvinders en seriemoordenaars; ze behandelen hele sociale lagen die in beroering zijn. Het resultaat is een realistische soap-opera, met als ingrediënten wapens, seks, dood, rijkdom en macht; een film die zich zo veel mogelijk houdt aan de grillige contouren van de oorspronkelijke gebeurtenissen.
Deze regisseurs (en de critici die op hun hand zijn) geloven dat ze onbekend terrein verkennen. Maar het beroep dat ze doen op het realisme laat enkelen van ons diepe zuchten slaken. Hebben we de laatste dertig jaar, na de jaren zestig, niet afgegeven op de illusie van realisme in de cinema en de verderfelijke ideologische effecten die daarvan uitgingen? Hebben we onze studenten en lezers niet onderwezen dat geen enkele film werkelijk is, dat film altijd een constructie is? Hebben we de veranderlijke trucs van wat Roland Barthes het ‘werkelijkheidseffect’ noemde niet uitgebannen, trucs die hun hoogtepunt bereikten in de ‘kwaliteitsproducties’ van de Amerikaanse televisiezender HBO (zoals The wire) voordat ze weer opdoken in de cinema?
Realiteit en realisme, het zijn woorden die onmogelijk te vertalen zijn als het om cinema gaat. Toch worden filmmakers en filmliefhebbers er elke keer weer door in de val gelokt. Het misverstand ontstaat doordat alles wat conventioneel is in film wordt geassocieerd met onwerkelijkheid en namaak, terwijl alles wat afwijkt van de normen gewaardeerd wordt als een brok werkelijkheid. Manny Farber (God zegene hem) heeft veel bijgedragen aan het populariseren van dit merkwaardige vooroordeel: alle films die eigenaardig en afwijkend waren, zouden toegang bieden tot de felbegeerde realiteit. Een vreemde veronderstelling, als je erover nadenkt.
Ik herinner me de geweldige grap die ik aantrof als bonus op de dvd van de onwerkelijke comedy dodgeball (2004): een sombere eindscène waarin de held de grote wedstrijd verliest. Het was een einde, zo wordt ons plechtig verteld, dat de ‘studio niet kon toestaan’ — omdat het ’te veel op het echte leven leek’!

Adrian Martin | vertaling Martijn Meijer

*De titel verwijst naar You make me feel (mighty real), een discohit van Sylvester uit 1978.

Geschreven door