Spinoza
Postume film over vrijdenker die hiernamaals afwees
Spinoza
Ideeënfilm over de zeventiende-eeuwse Amsterdamse filosoof levert een hoekig portret op van een emotie-arme rationalist.
Op zijn moeders begrafenis hoort de kleine Bento Spinoza van de rabbi dat Adonai nu over haar waakt. Volgens zijn vader is ze achter de wolken. “Maar ze zit toch in de kist?”, denkt de jongen hardop. “Sst!”, sist zijn vader vermanend. “Maar ik mag toch vragen?”, werpt de jongen tegen. Waarop de rabbi hem het klassiek-Joodse denk- en spreekverbod over mystieke zaken voorhoudt: “Je mag alles vragen, behalve over wat hierboven is, wat hieronder is, wat hiervoor was en wat hierna komt.”
Het is dit verbod dat de latere filosoof met voeten zal treden en hem tot een wegbereider van de Verlichting maakt: een rationalist en vrijdenker die het idee van een leven na de dood verwierp; god troonde niet in de hemel, maar was aanwezig in de natuur. Vrije meningsuiting en een scheiding tussen kerk en staat stelde hij als basisvoorwaarden voor een goed leven.
Ondanks de relatief tolerante houding van de religieuze en statelijke autoriteiten in het Amsterdam van de Gouden Eeuw waren deze ‘ketterse’ opvattingen, die Spinoza in anonieme pamfletten verspreidde, levensgevaarlijk. Zijn sleutelwerk Ethica werd bij verschijning na Spinoza’s dood (volgend jaar 350 jaar geleden) verboden.
Dit portret van Baruch de Spinoza (1632-1677) speelt zich hoofdzakelijk af in het Amsterdam van 1656, in aanloop naar zijn verbanning. Het is de laatste speelfilm van scenarist/regisseur Rudolf van den Berg, die kort na de opnameperiode overleed. Spinoza krijgt – vrij naar een theaterstuk van Dimitri Frenkel Frank uit 1964 – zijn tijdgenoot Rembrandt als gesprekspartner en tegenpool: verstand versus gevoel. Hoewel ze bij elkaar om de hoek woonden, zijn er overigens geen historische aanwijzingen dat ze elkaar ooit hebben ontmoet.
Spinoza is dan ook geen gewone biografie maar meer een ideeënfilm, waarin Van den Berg de heren laat bespiegelen over de ziel, licht en de nood aan een god. Andere gesprekspartners zijn een rabbi, een dominee en een anachronistische vrouwelijke burgemeester, naast zijn overleden vader, zijn gedode vriend en zijn vroegere zelf. Er is een krankzinnige jonge moeder en een fictieve adellijke minnares met wie Spinoza op bed een potje schaak speelt. Het Amsterdam van de Gouden Eeuw blijkt een door pest verteerde stad.
Grootste makke in dit ingedikte, geïdealiseerde drama is de vlakke, emotie-arme Spinoza die er de spil van is. Scènes zijn dermate geconstrueerd en zwanger van betekenis, dat de cerebrale inhoud naar potsierlijk doorschiet en dialogen als tegeltjeswijsheden klinken. Tegelijk zijn de teugels van de rede zo strak aangetrokken dat Spinoza’s ziel – die door zijn gemeenschap ‘doder dan dood’ wordt verklaard – maar niet tot leven wil komen.