Treasure

Onhandige Auschwitz-roadtrip

Treasure

In de kabbelende tragikomedie Treasure reist een Poolse Auschwitz-overlevende met zijn dochter terug naar zijn voormalige thuisland.

Er zit iets behoorlijk onhandigs in Treasure. Dat begint eigenlijk al direct wanneer we de zware Poolse tongval van de Britse acteur en komiek Stephen Fry horen, die hier een Holocaust-overlevende speelt die samen met zijn dochter Ruth (Lena Dunham uit Girls, 2012-2017) een roadtrip maakt door zijn geboorteland.

Deze Edek woont al decennia in de Verenigde Staten, maar omdat Ruth vrijwel niets weet over de roots van haar vader, wordt het de hoogste tijd om daar eens iets aan te veranderen. Zowel de film als de roadtrip zelf hangen daarbij aan elkaar van onhandigheid. De treintickets die Ruth heeft geboekt voor de rondreis? Behoorlijk onhandig, gezien de rol van treinen in Edeks verleden. De laat-maar-waaien-houding van charmeur Edek tegenover alles en iedereen, inclusief zijn duidelijk depressieve dochter? Onhandig. De manier waarop er moet worden onderhandeld over voor de oorlog achtergelaten spullen met de nieuwe bewoners van Edeks oude appartement? Onhandig. De manier waarop Ruth er bij haar vader op blijft aandringen zijn gruwelijkste herinneringen onder ogen te komen? Onhandig.

Het moet voor de Duitse regisseur Julia von Heinz (Und morgen die ganze Welt, 2020) ook niet makkelijk zijn geweest om een balans te vinden tussen de komisch bedoelde vader-dochterdynamiek en de zwaarte die later in de film wacht, wanneer onder meer een bezoek aan Auschwitz gepland staat. Die balanceeract verloopt te moeizaam in het sowieso wat kabbelende Treasure, gebaseerd op het boek Too Many Men van Lily Brett. Veel te vaak voelt het aan als een sitcom-achtige roadtrip over een grauw oorlogsverleden, waarbij de komedie niet grappig genoeg is en het drama niet ernstig genoeg om echt iets nieuws of zinnigs te zeggen over de etterende littekens van de Holocaust.

Toch is de vader-dochterchemie tussen Dunham en Fry heus niet onaardig, en vooral de scènes in Auschwitz – de makers kregen bij uitzondering de kans om een dag te filmen in het voormalige concentratiekamp – slagen er zowaar in om enigszins te ontroeren. Dat is vooral te danken aan Fry, die ondanks het soms wat kolderieke Poolse accent genoeg menselijkheid kwijt kan in sympathieke lobbes Edek (wie zegt er nee tegen een karaoke zingende Stephen Fry?).

Dunhams rol is ondankbaarder, als eenzame journalist met een eetstoornis die koste wat kost grip wil krijgen op haar familieverleden en daardoor als een soort bulldozer over alles en iedereen heen walst. Wat voor haar personage geldt, kenmerkt de hele film: de intenties zijn heus niet kwaadaardig, maar de uitvoering is toch vooral lomp en onhandig.