The Last Ones

Diapositief van een western

The Last Ones

Op de besneeuwde Finse toendra’s ontvouwt zich vanuit een weerbarstige situatieschets een wat conventionele liefdesdriehoek. Veiko Õunpuu biedt veel om op te kauwen in zijn antikapitalistische western.

Met zijn uitgestrekte landschappen en zijn focus op een grotendeels mannelijke gemeenschap aan de uiterste randen van de bewoonde wereld, heeft The Last Ones (Viimased) veel weg van een western. De Estse maker Veiko Õunpuu heeft de film zelf her en der omschreven als een ‘Nordic Western’. Maar bij nadere beschouwing biedt The Last Ones eerder een diapositief van een western. Zoals de helwit besneeuwde toendra’s waar de film zich afspeelt lijnrecht tegenover de Amerikaanse woestijn staan, zo biedt Õunpuu ook inhoudelijk het tegenovergestelde van het genre.

Hier geen heldhaftige mannen of gewetenloze schurken, maar ploeteraars die zich overdag kapot werken voor een hongerloon en zich ’s avonds de grond in zuipen om dat te vergeten. Waar de klassieke western in beginsel draait om een kapitalistisch vooruitgangsgeloof, toont The Last Ones juist de grenzen van de ongebreidelde groei waarmee dat gepaard gaat – of dat we die grenzen allang overschreden hebben.

Centraal staat een mijnwerkersgemeenschap ergens in het Finse hoge noorden. Hoewel de mijn in feite uitgeput is, pusht baas Kari (Tommi Korpela) ‘zijn’ mannen om nog wat verder te graven, met steeds exploitatiever en gevaarlijker technieken. Om ze tevreden te houden, voorziet hij ze rijkelijk van drank en andere verdovende middelen.

Zijn werknemer Rupi (Pääru Oja) is een belangrijke schakel in de aanlevering van die drugs, maar staat ook met één been in een andere wereld. Zijn vader is een van de weinig oorspronkelijke bewoners van het gebied die weigert zijn land te verkopen aan het mijnbedrijf, waarmee hij verdere ontginning van het gebied in de weg staat. En dan is er nog de mooie, jonge Riita (Laura Birn), min of meer de enige vrouw in de wijde omgeving.

Waar The Last Ones begint als een breed uitwaaierend portret van deze gemeenschap vol eigengereide personages, draait de film langzaam maar zeker uit op een klassieke liefdesdriehoek tussen Rupi, Riita en Kari. Vreemd genoeg lijkt Õunpuu juist als het narratief gestroomlijnder wordt minder grip op zijn film te hebben.

De film laveert van meet af aan tussen verschillende tonen en sferen – de eclectische soundtrack is wat dat betreft typerend, met hoofdrollen voor zowel de Scandipop van Roxette als ‘Lay Lady Lay’ van Bob Dylan en ‘Working Class Hero’ van John Lennon. Voor het grootste deel van de film leidt Õunpuu ons met vaste hand langs intrigerende momenten en ongrijpbare personages en biedt hij en passant ook grotere antikapitalistische ideeën om op te kauwen. Dat de boel tegen het einde enigszins ontspoort, doet daar niet aan af.