Prince Avalanche
Twee mannen en een weg
Twee mannen werken een zomer lang in een desolaat gebied aan een weg. De twee hebben hoegenaamd niets gemeen, maar zijn tot elkaars gezelschap veroordeeld.
In het uitgestorven, door bosbranden gehavende middle of nowhere van Texas verrichtten Lance en Alvin in 1988 wegwerkzaamheden. Ze voorzien één enkele weg van wegmarkeringen en paaltjes. Aan het eind van de dag slaan ze hun tent op, bakken een vis, schrijven een brief. De volgende dag gaan ze verder waar ze gebleven waren.
De twintiger Lance (Emile Hirsch) is een dommig Buttheadtype, die nauwelijks doorheeft wat een hork hij meestal is. Lance vindt de eenzaamheid gekmakend en denkt vooral aan seks: "Ik word zo geil hier buiten. Heb jij dat niet ook?" De ernstige veertiger Alvin (Paul Rudd) vindt zichzelf — meestal met recht — de volwassenste en redelijkste van de twee. Hij is (en speelt) de baas, doet zijn werk, geniet van de rust en mijmert over zijn toekomst met zijn geliefde: "Geil? Ik dacht het niet."
Aan alles valt af te lezen dat ze liever niet te veel praten. Het enige wat hen bindt is dat de geliefde van de een (Alvin), de oudere zus is van de ander (Lance). Zo is het gekomen. Je hoeft geen mensenkenner te zijn om aan te voelen dat dat niet lang goed gaat.
De zelf in Texas opgegroeide regisseur David Gordon Green baseerde Prince Avalanche (een niet uit de film, maar uit een droom van de regisseur voortvloeiende titel) op de IJslandse film Either Way. Na een aantal grote studioproducties wist Green (Pineapple Express) dit jaar met deze onafhankelijke film in Berlijn de Zilveren Beer voor beste regie in de wacht te slepen.
Paul Rudd (I Love You, Man), die normaliter vooral in Hollywood-romcoms speelt leerde hij jaren geleden kennen op het Filmfestival Rotterdam. In deze kleinere indiefilm, die in zestien dagen geschoten werd, vormt Rudd als de ingetogen Alvin een mooi duo met Greens andere oude vriend Emile Hirsch (The Girl Next Door, Into the Wild), die over opvallend komisch talent beschikt. Samen weten ze knap te balanceren op de riskante rand van grappig en flauw, en gaan er soms overheen — maar de kijker aan wie deze film niet regelmatig een lach weet te ontfutselen, ademt vermoedelijk überhaupt niet.
Er valt ook veel te genieten; behalve van het vermakelijke acteerwerk ook van mooie (soms iets al te nadrukkelijk mooie natuur-) shots, opvallend kleurgebruik en mooie filmmuziek van David Wingo en Explosions in the Sky. Zonder al te veel te willen verklappen, wordt de aanvankelijk sterke film wat ontsierd door een surreëel en filosofisch bedoeld verhaallijntje, en door een emotioneel suikerlaagje dat op een goed moment natuurlijk toch wordt toegevoegd. Gelukkig gebeurt dat pas vrij laat in de film, en is het veel geestiger gros van de film nauwelijks gesuikerd.
Janna Reinsma