O Menino e o Mundo

Dansen op de wolken

  • Datum 12-02-2015
  • Auteur
  • Gerelateerde Films O Menino e o Mundo
  • Regie
    Alê Abreu
    Te zien vanaf
    01-01-2013
    Land
    Brazilië
  • Deel dit artikel

Een piepklein uitgangspunt — een jongetje ontdekt de wijde wereld — vormt het skelet voor Alê Abreu’s lyrische, wonderschone animatiefilm Menino. 

De openingsscène van Alê Abreu’s Menino (voluit O menina e o mundo, oftewel ‘de jongen en de wereld’) is een virtuoos staaltje animatiekunst. Na een introductie van kaleidoscopische vormen in primaire kleuren, begint de film met een vrijwel wit beeld. Er zijn enkel het jongetje uit de titel, getekend in een simpele krijtlijn, en een veelkleurige steen, waaruit een fijnzinnige fluitmelodie opstijgt. Als de jongen vervolgens de wereld ontdekt, of misschien zijn eigen fantasiewereld opbouwt, wordt het beeld meer en meer gevuld met veelkleurige vormen, en de fluittonen aangevuld met allerhande percussie en instrumentatie, opbouwend naar een lyrische climax.
Het is een perfecte opening voor Abreu’s even lichtvoetige als melancholische animatiefilm, die terecht een bredere release krijgt na al te zijn opgenomen in de selectie van het rondreizende Fantastische Kinder Film Festival. Want Menino is zeker niet alleen geschikt voor kinderen. De openingsscène is de film in een notendop: ook het simpele verhaal dat de verdere film vertelt, bouwt zijn wereld langzaam uit. We beginnen op ‘het platteland’, met grootse vlaktes en veel leegte, en reizen gaandeweg de 80 minuten van de film naar ‘de stad’, overvol en hectisch.
Het jongetje onderneemt zijn reis wanneer een abrupt einde komt aan de jeugdige idylle waarmee de film opent: zijn vader vertrekt, op zoek naar betere leefomstandigheden voor zijn gezin. Het enige dat hij achterlaat, is die fluitmelodie, die het jongetje vervolgens achternaloopt — de wijde wereld in. Daar staat hij op een migrant die op een katoenplantage werkt; op een fabrieksarbeider met onvermoede creatieve talenten; op een avontuurlijk ingestelde bewoner van de grootsteedse favela’s. Telkens weer wordt Abreu’s weergave van hun niet altijd even rooskleurige leefomstandigheden verzacht door de levendige blik van het jongetje, waarvanuit de film kijkt: auto’s worden rijdende dieren, en wolken zijn er om op te dansen.
Hoewel in de details zeker tinten van Abreu’s thuisland Brazilië zijn te ontwaren, houdt de regisseur zijn film doelbewust universeel, wat nog eens wordt versterkt door het feit dat hij zijn verhaal volledig zonder dialogen vertelt — de schaarse uitgesproken woorden zijn in een door de maker zelf bedacht koeterwaals, gebaseerd op achterstevoren uitgesproken Portugees. Die universaliteit is één van de sterkste punten van Abreu’s pareltje van een film, maar betekent wel dat het de kijker nogal rauw op het dak valt wanneer hij laat in de film toch een gooi lijkt te doen naar een veel directere politieke stellingname. Maar dat is een relatief klein drempeltje voor deze verder adembenemende kleine film.

Joost Broeren