Forêt ivre

Dunne lucht, stugge berg

Datum
04-11-2026
Auteur
Verschenen in
Lees meer over
Regie
Manon Coubia
Te zien vanaf
19-11-2026
Land
België, Frankrijk, 2026

Forêt ivre

Drie verschillende vrouwen beheren in opeenvolgende seizoenen dezelfde trekkershut in de Franse Alpen in een ijle vertelling die even minimalistisch is als dat bestaan.

De jonge local die op een koude winternacht aan is komen waaien kan wel zien dat Suzanne, die de wandelhut in de wintermaanden beheert, niet uit de bergen komt. Ze heeft te mooie, gelakte nagels. “Dat is niet handig bij het runnen van een hut.”

Ze eten kaas die door zijn zwager is gemaakt. Als ze houthakt, zegt hij woede te zien. Of komt dat omdat hij die zelf misschien voelt? Het zijn dit soort kleine observaties waaruit Forêt ivre, het speelfilmdebuut van de in Brussel opgeleide filmmaker Manon Coubia, is opgebouwd.

Het portret van Suzanne, een solitaire vijftiger, is het derde, en het enige volledig gescripte verhaal in een drieluik waarin drie verschillende vrouwen dezelfde trekkershut in de Franse Alpen runnen. Anna, een dertiger, arriveert in het vroege voorjaar. Net als Hélène, een seizoensarbeider die het hoogseizoen voor haar rekening neemt, komt ze uit de directe omgeving.

De in de Alpen geboren en getogen scenarist en regisseur Manon Coubia was zelf tien zomers lang beheerder van de geportretteerde hut voor ze dit speelfilmdebuut maakte. In enkele pagina’s omschreef ze rudimentair wat de acteur van dienst zou moeten doen en zeggen. Verder liet ze de werkelijkheid haar werk doen. Met een kleine crew legde ze op tactiele 16mm-film vast hoe de fictieve persoon zich tot de langskomende bezoekers verhield, tot hun verhalen, het weer, de omgeving, tijd, herinneringen. Tussen de dagelijkse drukte door – wandelaars komen en gaan, er wordt gegeten, gedronken, gedanst – ontspint zich druppelsgewijs de achtergrond van de solitair levende vrouwen.

Andere vertelelementen geven het drieluik een terugkerend motief en kader: een tienermeisje dat steeds ergens opduikt, het uitstervende auerhoen dat wordt gezocht door een jongeman, een trui die door alle drie vrouwen wordt gedragen. Naast de hut staat een kleine kapel waar op een avond wordt voorgedragen uit het gastenboek, dat teruggaat tot 1944. In verstilde momenten daagt er soms een mysterieuze, mythische laag naast de alledaagse handelingen. De jonge local ziet ’s nachts zijn overgrootvader in de hut, die zich hier tijdens de oorlog met zijn kameraden schuilhield. Suzanne gelooft hem, maar ziet slechts een kale bank.

In hoeverre de door Coubia gepresenteerde werkelijkheid tot de verbeelding spreekt, hangt dus nogal af van de voelsprieten van de kijker. De uitgebeende vertelling, die meer existentiële toestand is dan plot, is even minimalistisch als het bestaan van de geportretteerde vrouwen. Een vertelling die zo fris kan aanvoelen als de ijle alpenlucht, maar ook stug kan blijven als een berg.