De Gaulle: Liberté

Fransen vechten tegen Fransen

Datum
26-08-2026
Auteur
Verschenen in
Regie
Antonin Baudry
Te zien vanaf
17-09-2026
Land
Frankrijk, België, Verenigde Staten, 2026

De Gaulle: Liberté

Het slot van Antonin Baudry’s triomfantelijke tweeluik, over De Gaulle tijdens de Tweede Wereldoorlog, heeft een hedendaagse boodschap: vrijheidslievende Fransen, wantrouw de Angelsaksen en geef nooit toe aan je extreemrechtse landgenoten.

Het tempo is hoog, de vertelling onwaarschijnlijk overzichtelijk (gezien alle namen, data en gebeurtenissen), de hoofdrolspeler spectaculair goed en de geschiedenisles schokkend leerzaam: ik bleek bijna niks te weten over de Franse kant van de Tweede Wereldoorlog tussen de stichting van Vichy-Frankrijk en de bevrijding van Parijs. Misschien juist omdat we films ontbeerden zoals dit tweeluik Résistance en Liberté, dat dankzij positieve kritieken (ook van de meeste Franse historici) en enthousiaste word of mouth na een tegenvallend begin alsnog triomfeerde aan de Franse box-office, met inmiddels zo’n vijf miljoen verkochte kaartjes.

De achtergrond van regisseur Baudry als stripmaker en topdiplomaat is te herkennen aan de snappy vertelstijl en zijn plezier in het politieke steekspel achter de schermen. Bij hem zijn De Gaulle’s persoonlijke antagonisten niet zozeer de nazi’s, die zelfs in scènes rond het Parijse verzet een amorfe groep blijven, maar de Vichy-Fransen en – met name in dit tweede deel – de Amerikanen onder president Roosevelt, die een persoonlijke afkeer van hem had.

De schokkendste ontdekking was, voor mij, het Amerikaanse idee een bufferstaat te creëren tussen Frankrijk en Duitsland, waarvoor Frans grondgebied geofferd zou worden. Historici twisten weliswaar over hoe uitgewerkt dit plan was, maar niet dat het op tafel lag. De Gaulle’s verzet hiertegen echoot in het heden, met de onveranderde Franse argwaan jegens de Amerikanen versus de Britse Pavlov-reactie, bij monde van de film-Churchill: “Elke keer dat we moeten kiezen tussen Europa en Amerika, dan kiezen we voor Amerika.”

Maar wat verhalend bovenal boeit in dit tweede deel (en verrast, voor een biografie van een nationale held) is De Gaulle’s machteloosheid. De Amerikanen kleineren De Gaulle en verkiezen de Vichy-generaal Giraud als Franse gesprekspartner; de Britten bewegen noodgedwongen mee met hun militaire grote broer. Het is vooral dankzij anderen (de militaire successen van generaal Leclerc, het verenigen van het Franse verzet door Jean Moulin en de sympathie van de Amerikaanse pers) dat De Gaulle een klein beetje politieke ruimte krijgt – die hij vervolgens grijpt.

Overigens worden de leiders van dat verzet eerst getoond als hopeloos verdeeld en is het naarste moment van de hele film voorbehouden aan een Franse soldaat: bij het massaal oppakken van Gaullisten (al schokkend op zich) zet een Vichy-militair een pistool op het hoofd van een doodsbang Frans jongetje, om erachter te komen waar zijn vader is. Dat naast de amorfe Duitsers, imperialistische Amerikanen en wispelturige Britten de vrije Fransen ook te kampen hadden met interne verdeeldheid en de eigen extreemrechtse landgenoten, verschaft de film een bewonderenswaardige relevantie in tijden van ook in Gallië heroplevend fascisme.