Agatha’s Almanac
Elke dag een kadootje
Agatha’s Almanac
Ambachtelijk gemaakt documentaireportret van de zelfredzame, hoogbejaarde Canadese Agatha, die op haar familieboerderijtje nog van haar moestuin leeft.
Vers fruit blijft langer goed in een afgesloten glazen pot. Droogte maakt de schil van watermeloenen dikker. Bonenzaad win je door de gedroogde bonenschillen kapot te stampen op een zeil. Als er van ware liefde geen sprake is, ben je alleen beter af.
Het zijn zo wat wijsheden die de Canadese Agatha Bock (1934), inmiddels dik in de tachtig, deelt met haar nicht, kunstenaar en filmmaker Amalie Atkins, in het documentaireportret dat die van haar maakte.
Gedurende zes jaar volgde Atkins haar hoogbejaarde tante in de moestuin van haar houten familieboerderijtje op het platteland van Manitoba. Daar leeft Agatha nog net zoals in de jaren vijftig: van haar eigen groente en fruit, met de seizoenen, zonder stromend water. Alles is handwerk. Planten, oogsten, koken, bewaren, repareren. Een manier van leven die op uitsterven staat: in eenvoud, vanzelfsprekendheid en zelfredzaamheid, verbonden met de natuur. Agatha gebruikt zaden die nog van haar moeders planten afstammen.
“Een leven gevuld met plezier, hoop en liefde, maar niet altijd van een leien dakje,” vat de kromgewerkte, praktisch ingestelde Agatha haar spartaanse bestaan laconiek samen. Ze repareert wasknijpers, installeert een pijp om het regenwater te geleiden, plakt kieren in kozijnen af met ducttape. Binnenshuis overal plakkertjes en labels op dozen, potjes en zakjes, want wie wat bewaart, die heeft wat. ‘Peterselie’, ‘tafelzilver’, ‘sjaaltjes’, ‘sokken’, ‘negatieven’. Of een briefje voor als de filmploeg arriveert: “Ik ben in de tuin.”
Hoewel Atkins vooral een idyllisch beeld schetst van het leven in het groen, blijkt daarachter een hoop drama schuil te gaan. Agatha vertelt hoe ze heeft te leven met hagelschade, droogte, overstroming, ongedierte, konijnen die aan de bieten knabbelen, herten die haar dovenetels pikken en omvallende bomen. Met ziekte, ongelukken en een slijtend lichaam. Haar leven blijkt getekend door de strijd tegen armoede, veel te vroeg gestorven zussen, vrijers die kwamen en weer gingen.
Het portret is een miniatuur en monument ineen, voor een koppige oude vrouw die elke dag als een kadootje beschouwt: “Ik had allang vertrokken moeten zijn.”
Vanwege het ambachtelijke karakter van Agatha’s moestuin en om het gevoel van een vervlogen tijd kracht bij te zetten, schoot Atkins op analoge 16mm-film, met een Bolex-camera die met de hand moet worden opgedraaid en een Arri SR2-camera uit de jaren tachtig. Dat laat het rood, dat Agatha steevast draagt, en het groen vaak lekker hysterisch monochroom uitslaan en veroorzaakt op de beeldranden nostalgische, oranje lichtvlekken.
Getuige de close-ups van groente, naast instagrammable reeksen rode sokken, slippers en weckpotten, heeft Atkins meer oog voor de pittoreske kwaliteit dan voor de betekenis der dingen. Soms horen we Agatha mopperen dat ze genoeg heeft van de verzoeken van haar filmende nicht.