Studio Caribe wil vliegwiel zijn voor Antilliaanse filmindustrie

Lancering Studio Caribe in Willemstad, Curaçao (fotograaf: Robin Oosterling)

Bioscopen zijn op de vingers van één hand te tellen, professionele studio’s ontbreken en expertise is beperkt. De filminfrastructuur in het Caribisch deel van Nederland is weinig ontwikkeld. Het Filmfonds wil daar nu verandering in brengen met Studio Caribe.

De signalen vooraf waren al hoopgevend, maar de opkomst bij de bijeenkomsten die het Filmfonds vorige maand hield op Curaçao en Aruba overtrof alle verwachtingen. “En aansluitend hadden we maar liefst zestig individuele afspraken met filmmakers”, vertelt Monique Ruinen, hoofd Filmactiviteiten en Talentontwikkeling. “De filmgemeenschappen van de verschillende eilanden komen niet vaak samen, maar raakten nu met elkaar aan de praat. Zo hopen we een vliegwiel of aanjager te zijn van de lokale filmindustrie.”

Ruinen was samen met collega Ilse Ronteltap op de Caribische eilanden voor de lancering van Studio Caribe. Met deze nieuwe regeling wordt in totaal €120.000 beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van twaalf filmprojecten. Vervolgens is er €65.000 per project beschikbaar om zes films van minimaal vijf en maximaal dertig minuten te realiseren. Het hele traject wordt omlijst met workshops, coaching en trainingen.

Studio Caribe ligt in lijn van het advies van de Raad voor Cultuur, dat begin dit jaar verscheen en expliciet aandacht besteedde aan de achtergestelde positie van het Caribisch deel van Nederland. “Er zijn investeringen nodig in de fysieke infrastructuur én in kennis en expertise”, staat te lezen op pagina 103 van Toegang tot cultuur – Op weg naar een nieuw bestel in 2029.

De filminfrastructuur op de zes eilanden is beperkt maar er is de afgelopen jaren sprake van een inhaalslag. Buladó, dat in 2020 openingsfilm was van het Nederlands Film Festival, heeft veel betekend voor de Nederlands-Caribische film. En het Gouden Kalf dat kunstenaar-filmmaker Kevin Osepa twee jaar later won met La Última Ascensión was een mijlpaal. De lokale overheden hebben inmiddels ook oog voor de ontluikende filmindustrie en werken aan een financiële stimuleringsmaatregel die lijkt op de Nederlandse production incentive-regeling, waarmee producenten 35% van hun investeringen terug krijgen als die zijn gedaan in Nederland.

“Wij hebben lokale filmmakers gevraagd wat zij nodig hebben”, vertelt Ruinen. “En zij willen vooral vlieguren maken. Er is veel talent op de Caribische eilanden maar de mogelijkheden zijn beperkt. Bijna niemand kan leven van film, iedereen doet het erbij en in zijn eigen tijd. Velen van hen wisten het Filmfonds niet te vinden.”

Studio Caribe is onderdeel van een veel ruimer pakket aan regelingen waarmee het Filmfonds probeert een grotere en meer diverse groep filmmakers te bereiken. Zo richt Cypher Cinema zich op autodidacten, wordt er geïnvesteerd in regionale broedplaatsen en zoekt Generation Inclusion naar een nieuwe generatie filmmakers met ongehoorde verhalen.

Om de drempel te verlagen, heeft het Filmfonds voor Studio Caribe de regels ietwat aangepast. “Aanvragen kunnen niet alleen in het Nederlands maar ook in het Engels of Papiaments worden ingediend en het is ook mogelijk beeld toe te voegen aan de aanvraag”, vertelt Ruinen. “Daarnaast hebben we toelatingseisen verruimd. In Nederland moet je een film hebben gemaakt die in de bioscoop of op een festival heeft gedraaid. Dat is op de eilanden een bijna onmogelijke eis.”

Het animo voor Studio Caribe is groot. Binnen een uur nadat de regeling op 15 april was geopend, was de eerste aanmelding al binnen. En binnen korte tijd stond de teller op acht. Filmmakers kunnen hun plannen tot 21 mei indienen. “De zes films die uiteindelijk gemaakt worden, zijn naar verwachting in 2025-2026 klaar”, volgens Ruinen, die met diverse festivals in gesprek is over vertoning. “Maar Studio Caribe is niet eenmalig. We gaan dit traject eens in de twee jaar herhalen.”