Friese lowbudgetfilm De Eerste Zone glorieert in Edinburgh
De Eerste Zone
Producenten van naam en faam komen een praatje maken. Internationale sales agents laten hun contactgegevens achter. En publiek en pers zijn reuze enthousiast. Het droomscenario van Thom Lunshof kwam afgelopen week uit tijdens het Edinburgh International Filmfestival, waar De Eerste Zone in première ging. En dat terwijl de lowbudgetfilm onder Revenant-achtige omstandigheden tot stand is gekomen.
Helaas ging de Sean Connery Prize for Feature Filmmaking Excellence net aan Lunshofs neus voorbij. De publieksprijs, waar een geldbedrag van €50.000 aan verbonden is, ging naar Skintown, een van de negen concurrenten in de sterk bezette competitie. “Maar we hebben erg veel goede reacties gehad”, zegt de regisseur, die de hele week van de ene presentatie naar het andere interview is gelopen, en bij vertoningen opmerkelijk veel vragen uit het publiek kreeg. “Het Britse publiek heeft blijkbaar affiniteit met het onderwerp van de film.”
En dat onderwerp is water. Of beter gezegd: de dreiging van stijgend zeewater. De Eerste Zone speelt in toekomstig Noord-Nederland dat door onhoudbare zeespiegelstijging, inklinkende bodem en falende dijken volledig blank staat. Hoofdpersoon Fenna overleeft in een windmolen, maar door een ongeluk drijft ze af en komt ze terecht in onbekend territorium. Om terug naar huis te komen moet ze vijandelijke gebied door.
Dat Lunshof in ieder geval ooit een film over Noord-Nederland en water zou maken, lag voor de hand. “Ik ben geboren en getogen in Friesland, en als kind was ik een echte waterrat”, vertelt hij. “Maar toen ik naar de Filmacademie ging en van een afstand naar Friesland keek, veranderde mijn blik. De klimaatcrisis speelde daar ook een rol in. Ik realiseerde me dat dertig procent van Nederland onder de zeespiegel ligt en hoe kwetsbaar we zijn – zeker nu de dijken tijdens droge periode broos worden.”
Maar een rampenfilm wilde hij niet maken. “Die zijn er al genoeg. En met doemscenario’s help je de discussie over klimaatverandering niet verder. In De Eerste Zone willen we de twee gezichten van de natuur laten zien: verschrikkelijk en prachtig. En dat de natuur altijd een weg naar herstel vindt, zoals je bijvoorbeeld ook ziet in de film van David Attenborough over Tsjernobyl. De vraag is alleen of wij dat als mensen nog gaan meemaken. Ja, het is allemaal hoopvol en heftig tegelijk.”
Lunshof ontwikkelde zijn ideeën in gesprek met scenarist Sam Dijkstra. In gezelschap van Filmacademie-jaargenoot Marrit Greidanus, die de productie voor haar rekening nam, werkten ze hun idee uit binnen het ontwikkelprogramma Het Beloofde Land, bedoeld voor middellange films met een ‘regionaal verhaal’. “Maar we merkten al snel dat de reis van onze hoofdpersoon meer ademruimte nodig had dan die 45 minuten. Ondanks het microbudget dat we hadden, zijn we ervoor gegaan.”
Dat budget is uiteindelijk opgehoogd tot €266.000, wat nog steeds peanuts is voor een speelfilm. Dat het toch lukte om voor dit bedrag een geloofwaardige film te maken die door Screen Daily werd geprezen als ‘realistisch drama’ met ‘magische en spookachtige’ kwaliteiten, komt volgens Lunshof doordat “we het simpel en klein hebben gehouden. We werkten bijna met een documentaire-crew, leunden op onze kennis van de locatie en contacten met lokale filmmakers.”
Sleutel tot het succes was het besluit om parallel aan het schrijven van de synopsis al locaties te gaan scouten. “Zo konden de locaties meteen worden meegenomen in het verhaal en genereerden ze ideeën”, vertelt de regisseur. “Ik heb laarzen aangetrokken en ben dagenlang gaan wadlopen. Met een gehuurd bootje ben ik ontelbaar veel plassen overgevaren. Daarnaast hebben we experts van Staatsbosbeheer, landschapsarchitecten en wetenschappers gevraagd hoe Nederland eruit zou zien als de zee binnenkomt. En welke huidige plekken daar het meest op lijken.”
Die research, die meer dan een jaar heeft geduurd, verleent De Eerste Zone haar rauw-realistische aanblik. Bijna niks komt uit de computer, alles is echt. Maar het was een extreem lastige draaiperiode, geeft Lunshof toe, zeker omdat het voor de meeste crewleden ook nog eens hun allereerste speelfilm was. “Tijdens de opleiding wordt je telkens verteld: er is niets moeilijker dan films maken op water. En een logistieke nachtmerrie was het zeker. Camera’s vielen overboord en bootjes sloegen op hol. Voor nachtelijke opnames bij tien meter hoge sluizen – normaal doe je die in een studio maar wij gingen echt het water in – stond iedereen na afloop te trillen op z’n benen. Voor cast en crew was het een Revenant-achtige ervaring: uitputtend en hard, maar het zette ons wel met beide benen in de realiteit.”
Dat geldt ook voor Hadewych Minis, die Lunshof met een lange mail en een koffie-met-instant-klik wist te strikken voor de hoofdrol. “Zij vond dat het haar spel enorm had geholpen. Het is toch echt iets anders dan voor een green screen acteren. Toen we na een opnamedag terugliepen, zei ze: ‘volgens mij hebben we iets bijzonders gemaakt’.”
En dat vindt niet alleen zij. De Eerste Zone werd geselecteerd voor het filmfestival van Les Arcs, waar work in progress wordt getoond. “Daar stonden we plots tussen allemaal grote films met serieuze budgetten”, herinnert Lunshof zich de vertoning afgelopen december. “En we wonnen ook nog! Dat was het moment dat we internationaal gekatapulteerd werden, heel onwerkelijk.” De wereldpremière in Edinburgh volgde en er lopen nu gesprekken met verschillende andere festivals. “De film gaat eerst een poosje reizen. Maar er komt zeker ook een Nederlandse première.”