Raúl Ruiz (1941-2011)

'Eén dood, maar zo veel levens'

Raúl Ruiz in Tiger Eyes van Frans Scheffer

Kort voor het ter perse gaan van deze Filmkrant overleed filmmaker Raúl Ruiz, wiens net op dvd verschenen Mistérios de Lisboa ongetwijfeld hoog gaat eindigen in de jaarlijstjes van de Nederlandse filmcritici. Filmkrant-medewerker en medesamensteller van Raúl Ruiz: Images of Passage (2004) Adrian Martin schreef een eerbetoon.

In het magistrale Mistérios de Lisboa (2011) zit een prachtige, ingetogen scène waarin de mysterieuze priester uit deze sage (gespeeld door Adriano Luz) een kamer binnengaat. Daar zien we, keurig neergezet, de sporen van al zijn andere, vroegere identiteiten — zijn andere zelven. Die verscheidenheid komt vaak terug in het werk van Raúl Ruiz. Three Lives and Only One Death (1996), bijvoorbeeld, lijkt een treurig uiterste op te tekenen: na zoveel parallelle levens te hebben geleefd, na zo veel tweede kansen, zo veel gedroomde identiteiten — die allemaal hun eigen wereld of universum tot leven brachten –  ontdekt het hoofdpersonage (Marcello Mastroianni) dat het spel van vermenigvuldiging abrupt tot stilstand komt met de punt aan het eind van het dodelijk vonnis: er is maar één dood en dan, daarna, niets meer.

Maar kort na het droevige bericht op vrijdag 19 augustus van het heengaan van de regisseur op zeventigjarige leeftijd, keerde iemand op Facebook die titel op een fijne en triomfantelijke manier om: één dood, maar zo veel levens.

Ruiz leefde inderdaad veel levens, boven op elkaar en tegelijkertijd. Een ontzettend veelzijdig en actief kunstenaar die zonder aarzelen elke kans oppakte om een productie te realiseren, hoe klein ook (“Geef me tienduizend of tien miljoen dollar”, grapte hij ooit, “maar niets daar tussen”), met een carrière die allerlei periodes heeft gekend. Sommige commentatoren hadden de neiging om elk van zijn films te reduceren tot de typisch Ruiziaanse verzameling bizarre camerahoeken, kleurenfilters en narratieve ongerijmdheden. Toch is hij nooit opgehouden zich te ontwikkelen en z’n onderzoekingen aan te scherpen, op een karakteristiek speelse en tegelijk serieuze manier.

Er blijft nog zoveel meer te ontdekken en onderzoeken in Ruiz’ oeuvre; de meest verslagen komen nauwelijks voorbij de top van de ijsberg. Een paar hoogtepunten: de eerste films gemaakt in Chili, 1960-1973, vol onbekende schatten — zoals het eigenzinnig meanderende Los Tres Tristes Tigres (1968), of Socialist Realism (1973). Na de haastige verhuizing van Raúl en z’n vrouw, regisseur-editor Valeria Sarmiento, naar Frankrijk, begon de periode die we het beste kennen: van Suspended Vocation (1977) en Hypothesis of the Stolen Painting (1978) naar The Roof of the Whale (1981) en City of Pirates (1983) — een uitzonderlijke reeks oogverblindende, neobarokke uitbarstingen, vaak gemaakt onder de B-filmachtige omstandigheden waarin hij ook zijn televisiewerk moest produceren.

Ruiz, verre van uitgeput, had nog een flinke weg te gaan. The Blind Owl (1987) is een van de hoogtepunten van z’n carrière, net als de veel te weinige geziene televisieserie Manoel on the Island of Marvels (1985). Ongeacht zijn verdiensten aan de kassa, is Ruiz altijd doorgegaan met het maken van low- of nobudget werk, zoals Mirror of Tunisia (1993). Zijn jarenlange samenwerking met de Portugese producent Paulo Branco zorgde midden jaren negentig voor een ander soort opleving, met betoverende sterren in de labyrintische plots van Genealogies of a Crime (1997) en later That Day (2003).

De film die voor Ruiz in de 21ste- eeuwse filmwereld echt het verschil maakte was de ingenieuze Proust-adaptatie Time Regained (1999), wat een enorm succes werd. Dat succes stelde Ruiz in staat kostbare, opzienbarende projecten te maken (die van tien miljoen dollar), zoals de ondergewaardeerde kunstenaars-biopic Klimt (2005).

Hij bleef films afleveren, op allerlei niveaus — Engelstalige producties als Shattered Image (1998) en A Closed Book (2010), de geavanceerde hermetica van losse experimenten Love Torn in Dream (2000), of het bedwelmende Lost Domain (2005), of La maison Nucingen (2008). Hij was bezig met gallerie-installaties en werkte in theater en televisie, een echte multimediakunstenaar. Hij was een begenadigd leraar, en een volstrekt originele denker over cinema.

En toen – nadat hij in het Westen weer wat in de vergetelheid was geraakt – de terugkeer naar Chili als Verloren Zoon maar ook als Vereerd Meester: van TV Dante (1992) rechtstreeks naar Días de campo (2004) en twee uitgebreide televisieseries (La recta provincia [2007] en Litoral [2008]), eindigend met het tot nu ongeziene La noche de enfrente, zijn laatste film – en tussendoor het baanbrekende lange ‘digitale essay’ Chilean Rhapsody (2002-3), dat zich ergens tussen documentaire en fictie bevindt.

Ik voel me vereerd en bevoorrecht om Raúl een beetje te hebben gekend. Hij was een schitterend, genereus en eindeloos openhartig mens, en zijn levenslange vriendschap met Valeria was iets wonderlijks om te zien. Zijn ondeugende gevoel voor humor en z’n gulle lach, als je eenmaal z’n vertrouwen had, waren aanstekelijk.

Als ik een anekdote moet kiezen die de warme en waarachtig democratische en open geest van Raúl het best laat zien, dan stamt die uit z’n International Rotterdam Film Festival retrospectief van 2004. In een overvolle foyer zag hij op een afstand iemand staan en zwaaide naar hem; ze liepen naar elkaar toe, omhelsden elkaar hartelijk, spraken even en namen weer afscheid. Wie was dat (vroeg ik), een acteur, een producent van een van z’n films? Nee: “Hij projecteerde mijn films hier in Rotterdam twintig jaar geleden.” Voor Raúl was een goede operateur even belangrijk als al die mensen die aan zijn films hebben meegewerkt, niks minder dan een Malkovich of een Deneuve.