Lichting 2024: Suzanne Koopstra over De toekomst is failliet

'Het Rotterdam-gevoel is vooral dat alles altijd weggaat'

De toekomst is failliet

In aanloop naar de Studentencompetitie op het Nederlands Film Festival (eind september) interviewt Filmkrant de hele zomer iedere week net afgestudeerde filmtalenten van verschillende academies. Eerste in de reeks is Suzanne Koopstra (Nederlandse Filmacademie) die met documentaire De toekomst is failliet een ode aan én klaagzang over Rotterdam brengt. “Ik hou heel erg van klagende personages, dat laat zien wat iemand voortdrijft.”

Toen Suzanne Koopstra als Rotterdammer aan de Filmacademie begon, had ze een enorme Amsterdam-aversie. Vervolgens bleek ook nog eens dat ze de eerste twee jaar geen studieopdracht buiten de stadsring kon filmen. Daarvoor waren weliswaar goede praktische redenen – mocht een crewlid een essentiële kabel zijn vergeten dan hoefde die niet vanaf de andere kant van het land opgehaald te worden – maar Koopstra verbeet zich wel: “Ik dacht twee jaar lang: hallo, ik kom uit Rotterdam, daar wil ik juist films over maken.”

Toen ze vanaf het derde studiejaar mocht filmen waar ze wilde, liet ze zich dat dan ook geen twee keer zeggen. Ze ging meteen ‘terug’ naar Rotterdam, om, zoals ze het zelf zegt, de straten daar naar het doek te brengen. Met eindexamenfilm De toekomst is failliet, over de huizensloop in haar zo geliefde stad, belicht en verbeeldt ze de fantoompijn van Rotterdam. De documentaire volgt Bep en Tinus de Does, (bijna-)zeventigers die al zestig jaar foto’s maken Rotterdamse huizen die op het punt staan gesloopt te worden.

“Ik hou heel erg van klagende personages”, zegt Koopstra. “Dat laat zien wat iemand voortdrijft. Klagen speelt heel erg in Rotterdam. Toen ik naar Amsterdam verhuisde voor de Filmacademie ervoer ik dat ook. Ik mag klagen over Rotterdam, samen met al mijn mede-Rotterdammers, maar o wee als een Amsterdammer over Rotterdam zou klagen. Er zit een enorme trots in Rotterdam, maar die zit vastgekleefd aan het enorme verdriet dat de stad zichzelf is kwijtgeraakt. Dat zie je terug in de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog, maar ook in hoe de stad zichzelf nu ‘bombardeert’ met constant slopen en opnieuw bouwen. Toen ik dat inzag besefte ik ook dat het Rotterdam-gevoel vooral is dat alles altijd weggaat. Ze zeggen dan wel, op z’n Feyenoords, ‘geen woorden maar daden’ en ‘sterker door strijd’, van die heldhaftige slogans, maar vanbinnen zit er bij Rotterdammers een groot verlies.”

Suzanne Koopstra. Foto: Filmacademie

Wist je van begin af aan dat jouw film over Bep en Tinus moest gaan? “Ik had eigenlijk besloten dat ik een tableauvertelling wilde gaan maken waarin verschillende Rotterdammers, met uiteenlopende achtergronden, samen de stad zijn. En dat moest plaatsvinden tegen de achtergrond van de eeuwige bouwput, die voor mij dient als een theatervoorstelling. Bij de bouwput beweegt iedereen zich rond die hekken, bemoeit iedereen zich ermee, vindt iedereen er wat van, maar niemand weet precies wie erop aangesproken moet worden. Alleen al daarin zit wat ik in mijn films graag samenbreng: er moet een humor in het verdriet zitten én er moet een combinatie van magisch-realistisme en plat-realisme zijn.
“Ik ging dus op zoek naar verschillende personages. Tot diep in de nacht in cafés; achter mensen aan in de tram; in wijken die gesloopt gaan worden; in kraakpanden; van alles. Maar terwijl de research verliep en de tijd begon te dringen, werden Bep en Tinus – die eigenlijk slechts een van de verhaallijnen zouden worden – ongecontroleerd mijn hoofdpersonages.”

In je inleiding bij de film verwoordde je dat Bep en Tinus weliswaar bejaard zijn, maar dat we door hun ogen kijkend ook voelen dat de pijn van de jeugd circulair is. Kan je dat toelichten? “Ik voel dat er onder jongeren net zo goed een nostalgie heerst naar vroeger. Je ziet het al door hoe geobsedeerd mijn generatie is door kleding van de jaren zeventig. Ik heb het vermoeden dat het de drang is om simpeler te willen leven, de snelheid van technologie en kapitalisme is bedreigend. Tegelijkertijd is het ook niet helemaal eerlijk om alleen van de esthetiek van die tijd te willen snoepen, want het was ook een tijd die vele malen ongelijker was. Ik vraag me soms wel af of ik nou een film heb gemaakt die zegt dat vroeger alles beter was. Want dat is niet mijn standpunt. Ik heb het idee dat ik een veel politiekere maker zou moeten zijn.”

Ik denk juist dat mensen makkelijk in je film meegaan omdat je meer op gevoel dan op politiek inspeelt. Het production design, waarbij we kleine bouwlieden door een mini-versie van Rotterdam zien lopen, heeft daar een charmante rol in. Het zorgt dat de film luchtig blijft en niet loodzwaar wordt. “Phoebe de Geus, die het production design heeft gedaan, heb ik telkens meegenomen naar de bouwput en in mijn zoektocht naar personages. Ik geloof ook heel erg in alle crewleden betrekken bij je verhaal, daardoor hoor je dingen waar je zelf niet op gekomen bent. De gesprekken met Phoebe gingen over veel meer dan alleen de feitelijke inhoud, en door zulke gesprekken kan de film meer vanuit vorm verteld worden. Ik vind dat dat moet kunnen bij documentaire. Je bent sowieso al een beeld aan het manipuleren, ook al doen we alsof we de werkelijkheid vastleggen. Misschien kom je met nog meer artificiële keuzes of vervormingen van de werkelijkheid wel dichter bij de werkelijkheid, namelijk bij de gevoelswereld die erachter zit.”


De toekomst is failliet is van 4 t/m 7 juli te zien tijdens het Keep an Eye Filmacademie Festival in Eye Amsterdam, eind september in de Studentencompetitie op het Nederlands Film Festival, en in november samen met de andere NFA-afstudeerfilms op NPO3.