Lichting 2024: Filmacademie

Als taal tekortschiet

Doodgewoon

In de afstudeerfilms van Lichting 2024 van de Nederlandse Filmacademie wordt van alles bespreekbaar gemaakt. Maar juist wanneer de taal faalt, worden de korte films interessant.

Afstudeerfilms zijn niet alleen een visitekaartje voor de studenten, waarmee ze laten zien wat ze de afgelopen vier jaar geleerd hebben, maar ook een manier om de aandacht te vestigen op dat wat de makers belangrijk vinden. Vaak is dat iets persoonlijk: iets van zichzelf dat ze niet terugvinden in het huidige filmlandschap, of een eigen ervaring die ze, door middel van hun film, voor andere mensen inzichtelijk proberen te maken.

Dit jaar studeren 73 bachelorstudenten af aan de Nederlandse Filmacademie met tien korte films, waarvan vier documentaires en zes fictiefilms. Hun afstudeerfilms staan bijna allemaal in het teken van taligheid – de enige uitzondering is het visual-effectsproject A Taste of Friendship, een 6 minuten durende, dialoogloze film over klimaatverandering.

De personages in deze films proberen gevoelens in woorden te vatten, spreken voor het eerst iets uit of pogen via taal een brug te slaan tussen zichzelf en anderen. Woorden, zo lijkt het geval te zijn voor deze lichting filmmakers, zijn het antwoord op allerlei soorten problemen – zolang ze worden gebruikt om iets waarachtigs te zeggen, tenminste.

De anatomie van een meermin laat namelijk zien hoe gemakkelijk we mensen kunnen manipuleren door middel van verhalen. De film doet een beetje denken aan Dogtooth van Yorgos Lanthimos, al is hij wat minder absurdistisch: een zoon woont met zijn vader in een bos en gelooft stellig in diens verhalen over gevaarlijke zeemeerminnen.

Het belang van communiceren
In de tragikomische fictiefilm Doodgewoon probeert een opa zijn naderende dood bespreekbaar te maken. De film valt vooral op door de chemie tussen opa en kleinkind. Regisseur Ronald Zuidinga baseerde de film op herinneringen aan zijn eigen oma, die haar begrafenis voor haar dood oefende om de dood zo verdraagzamer te maken voor haar kleinkind. Deze gebeurtenis zit ook in de film, maar had wat meer aandacht mogen krijgen; de verhaallijn over de moeder en haar moeizame relatie met opa is minder interessant.

Kalf

In Kalf draait het om het conflict tussen een kaasboer en zijn zoon, die het familiebedrijf niet wil overnemen. Ze moeten leren hoe ze over deze teleurstelling kunnen praten. De film probeert vooral conflict op een nieuwe manier in beeld te brengen: terwijl de familieleden ruzie hebben, geven ze elkaar constant koppen thee, bekers melk of koekjes. Je kunt nog steeds lief voor elkaar zijn terwijl je ruzie hebt, dus. Dat deze observatie niet de spannendste film oplevert, komt misschien doordat het conflict zelf op een afstandje wordt gehouden.

In het zoetsappige Goudvink blijken het juist gevoelens van liefde die moeilijk uit te drukken zijn voor een van de hoofdpersonages, waardoor een perfecte relatie plotseling in de problemen komt. Deze film gaat ook over het belang van communiceren: tijdens de seks, in conflicten, maar ook in fijne momenten. Goudvink is vooral bezig met realisme en het is mooi om een liefdevolle relatie tussen twee queer mensen van kleur op beeld te zien, maar de dialoog is, misschien door de nadruk op realisme, wel erg repetitief.

Praten zonder iets te zeggen
Hoewel taal een belangrijke rol kan spelen in film, is cinema natuurlijk niet in de eerste plaats een literair medium. De films worden daarom het interessantst als blijkt dat woorden tekortschieten.

In de solide documentaire Teken mij een thuisland proberen drie ontheemde personen inzicht te geven in hun integratieproces in Nederland. Het punt is dat begrijpen wat deze mensen hebben doorstaan, onmogelijk is; tenzij je het zelf hebt meegemaakt, kun je de onzekerheid niet begrijpen van het maanden- of jarenlang moeten wachten in een asielzoekerscentrum, zeggen de geïnterviewden, die in een nagebouwd azc worden geïnterviewd. Desondanks probeert filmmaker Nour Alkheder de ervaring inzichtelijk te maken door middel van beelden van een woestijn en een wachtkamer, waarin het wachtscherm, dat de volgende in de rij aangeeft, voortdurend op het nummer voor het jouwe blijft hangen. Dat gevoel is misschien niet te begrijpenmaar de gevoelige documentaire maakt wel de impact van het Nederlandse integratieproces op deze mensen duidelijk.

Toen we jongens waren

Soms wordt het tekortschieten van taal bijna per ongeluk vastgelegd, zoals in de twee documentaires Toen we jongens waren en Vaders zijn ook zonen. Beide films gaan over de worsteling van mannen om over hun gevoelens te praten, maar de oplossing die voor dit communicatieprobleem wordt geboden, berust op lege gemeenplaatsen: “Je moet aan jezelf werken”, bijvoorbeeld, en dat is “hard werken” dat “loont” maar “confronterend” is.

De personages in beide documentaires – een vriendengroep waarvan een van de vrienden een klein jaar geleden plots is overleden; een groep mannen die een moeizame relatie heeft met hun vader – praten over hoe belangrijk het is om te praten, maar zeggen uiteindelijk bar weinig. Therapietaal is de manier waarop deze mannen met elkaar omgaan binnengedrongen, maar het wordt niet gebruikt om echt in een gevoel of ervaring te duiken. In plaats daarvan worden lege begrippen gebruikt om een antwoord te bieden op complexe problemen zoals rouw en schuldgevoel. In beide films lijken de makers zich niet bewust van het falen van taal: ze presenteren de lege woorden als een levensveranderende wijsheid.

“Hoe ziet dat er dan uit?”, vraagt de regisseur bijvoorbeeld aan een man uit de vriendengroep die zegt dat de dood van de vriend de manier waarop ze met elkaar omgaan heeft veranderd en ze meer op elkaar letten. “We vragen elkaar hoe het gaat,” antwoordt hij, “en dan zeggen we: Hoe gaat het nou echt met je? Gaat het echt goed? Echt?”

De komische film Januari gaat juist over de belachelijkheid van dit soort taal. Het is een fijne kortfilm over iemand die eigenlijk niet zo veel vindt en altijd maar meegaat in wat zijn vrienden denken. We volgen hem in korte situatieschetsen tijdens de maand januari, waarin hij probeert te herstellen van een relatiebreuk. Het valt vooral op hoe uitgewerkt het personage is.

Nostalgisch naar nu
De toekomst is failliet, verreweg de bijzonderste film van deze lichting, gaat over het tekortschieten van taal, maar ook van beeld. Regisseur Suzanne Koopstra vertelde in een praatje vooraf dat de film ontstond vanuit een onderzoek naar fantoompijn. Ze voelde dit nadat een vriendin overleed, en merkte dat ze hetzelfde gevoel had in haar thuisstad Rotterdam. Alleen was het hier andersom: ze voelde geen pijn om iets wat er niet meer was, maar om iets wat er nog wel is, maar wat er in de toekomst niet meer zal zijn. Nostalgie naar iets dat er nog is, dus.

Met haar documentaire probeert ze grip te krijgen op een stad in verandering. Ze volgt Bep en Tinus, twee Rotterdammers die al decennialang de stad vastleggen, en zich nu vooral richten op de gebouwen die worden gesloopt om daarna te worden vervangen door gigantische, dure complexen voor yuppen.

De toekomst is failliet

Bep en Tinus zijn geweldige hoofdpersonen. Tinus fotografeert woningen door bouwhekken heen; Bep gilt keihard zijn naam wanneer ze hem op details wil wijzen. Het is duidelijk dat hun liefde voor de stad niet in woorden te vangen is. Ze kunnen alleen maar zeggen hoe verschrikkelijk het is wat er met hun stad gebeurt.

Samen archiveren ze Rotterdam wijk voor wijk – een kamer in hun huis is volledig gevuld met dozen vol foto’s – maar hoe leg je een stad vast? Koopstra vult de shots van Tinus en Bep aan met beelden van de miniatuurstad en een maquette van een toekomstig Rotterdam met alleen maar hoge gebouwen. In die stad laat ze Tinus staan. Verwonderd kijkt hij rond. Zo tussen de hoge torens lijkt hij net Godzilla. Het is een vreemd en krachtig beeld, dat de complexe gevoelens over een veranderend Rotterdam vastlegt zonder ook maar één woord te zeggen.


De afstudeerfilms zijn te zien op Keep an Eye Filmacademie Festival, 26 juni t/m 7 juli 2024 in de Nederlandse Filmacademie en Eye Filmmuseum, Amsterdam. Publieksvertoningen van de bachelor-afstudeerfilms zijn op 4 t/m 7 juli in Eye.

Een deel van de films zal ook te zien zijn tijdens het Nederlands Film Festival in september. Dit najaar worden de tien films uitgezonden op NPO3: de fictiefilms op 23 november en de documentaires op 30 november.

In de reeks Lichting 2024 spreekt Filmkrant de hele zomer iedere week met afstuderende makers van verschillende Nederlandse academies.