Bi Gan over Long Day’s Journey Into Night

Diepe dromen

  • Datum 26-01-2019
  • Auteur Joost Broeren-Huitenga
  • Categorieēn InterviewIFFR 2019
  • Deel dit artikel

Het zijn ambitieuze, dromerige tweede speelfilm Long Day’s Journey Into Night lost de jonge Chinese regisseur Bi Gan definitief de belofte van zijn debuut Kaili Blues in. Opnieuw filmde hij in zijn geboorteplaats Kaili, maar: “Het Kaili dat ik in mijn films toon, bestaat in het echt helemaal niet.”

Met zijn dromerige debuut Kaili Blues speelde de jonge Chinese regisseur Bi Gan zich in 2015 al internationaal in de kijker. Die film eindigde met een imponerende long take van 41 minuten, waarin de hoofdpersoon door het dorpje Kaili en door zijn eigen herinneringen dwaalt. Voor zijn tweede film Long Day’s Journey Into Night, nu te zien op het IFFR, doet Bi Gan er in alle opzichten een schepje bovenop.

Opnieuw zwerft een man door Kaili, in een vertelling die nog fragmentarischer is, een nog dromeriger sfeer heeft, en opnieuw eindigt in een long take – van dit keer bijna een uur, en in 3D. De melancholieke sfeer van zijn films staat in schril contrast met de energieke, goedlachse regisseur die afgelopen mei op het Filmfestival Cannes bij me aanschuift. Als ik me verontschuldig dat ik mijn zonnebril ophoudt tegen het felle licht aan het Zuid-Franse strand, lacht hij hartelijk: “Je had een 3D-bril op moeten zetten!”

De film zelf opent overigens ook met een klein grapje – een titelkaart die meldt dat de film, ondanks de bril die mensen bij de ingang hebben gekregen, toch niet in 3D is. Pas halverwege de vertoning wordt duidelijk dat het anders zit. “Ik wilde er eigenlijk helemaal niets over zeggen – gewoon die brillen uitdelen en mensen zelf uit laten vogelen dat ze hem eerst helemaal niet nodig hebben. Uiteindelijk overtuigde mijn producent me ervan dat we het publiek met iets meer respect moesten behandelen, haha!”

Waarom wilde u een deel van de film in 3D draaien? “Dat was altijd het uitgangspunt. Ik wilde een duidelijk verschil tussen de twee helften van de film maken – het eerste deel, in 2D, moest voelen als een herinnering, het 3D-deel meer als een droom.”

Het moet een helse toer geweest zijn om die long take uit te voeren. “Absoluut. Omdat we zo’n groot oppervlak beslaan in één shot, moest er een enorm terrein uitgelicht worden, een gebied met een straal van misschien wel drie kilometer. Het maken van dat shot heeft in totaal een jaar geduurd. Voor we het een eerste keer probeerden te draaien, hebben we twee maanden gerepeteerd, maar geen van de drie takes die we toen deden waren goed genoeg. Dus zijn we teruggegaan naar de tekentafel en hebben we er nog eens een maand of twee maanden voorbereiding in gestoken. Daarna gingen we weer draaien, en toen was het de vijfde keer eindelijk goed.”

Als filmmaker bent u autodidact. Wat was voor deze tweede film het grootste verschil met het maken van Kaili Blues? “Toen ik die eerste film maakte, had ik eigenlijk nog geen idee wat filmmaken inhield. Die film was enkel mijn persoonlijke droom, dus in zekere zin kon hij niet mislukken. Omdat er bij deze tweede film zoveel meer mensen betrokken waren, was het een meer gedeelde droom, een collectief doel. Dat is een heel andere verantwoordelijkheid.”

In twee films heeft u al een heel eigenzinnige stijl neer weten te zetten, melancholiek en dromerig. Hoe creëert u dat? “Als ik mijn scenario’s schrijf, begin ik ermee een genre te kiezen – in dit geval een film noir, een detectiveverhaal. Ik liet me bijvoorbeeld inspireren door Billy Wilders Double Indemnity en Vertigo van Hitchcock. Als ik eenmaal klaar ben met schrijven, begint mijn echte werk: het scenario verstoren, het opbreken en veel meer weglaten dan we van films gewend zijn. Tijdens de opnamen herhaalt dat proces zich en verdwijnt er nog meer, en in de montage nog een keer. Ik zoek enkel nog naar een emotionele lijn, de plot doet er niet meer zo veel toe.”

Hoe werkt dat proces voor het 3D-deel van de film? Als je alles in één take filmt, kun je niet naderhand nog dingen verwijderen. “Dat is lastig, inderdaad. Bij die sequentie werkte het eigenlijk andersom. Ik had natuurlijk een idee van wat het moest worden, maar ik schreef het scenario pas terwijl we de voorbereidingen ervoor al aan het doen zijn, met de cameraman, de belichter, het art department. Nadat de opnamen voor de 3D-sequentie de eerste keer waren mislukt, had ik een veel concreter idee van hoe het wél moest. De montage van de eerste helft van de film was tegen die tijd ook al klaar, dus de beslissingen die we daarin hadden genomen konden doorvloeien in hoe we die single take opbouwden.”

Net als in uw eerste film draaide u Long Day’s Journey Into Night in Kaili. Wat trekt u aan in die plek? “Mijn huis staat er, haha! Ik ben er geboren en getogen en woon er nog steeds, met mijn vrouw en kind. De ironie is natuurlijk dat het Kaili dat ik in mijn films toon, in het echt helemaal niet bestaat. Het echte Kaili is gewoon een moderne stad; mijn versie is meer gebaseerd op mijn jeugdherinneringen. Daarom zou ik de film ook niet in Beijing op kunnen nemen.”

Wat wordt uw volgende stap? Krijgt uw derde film een nog krankzinnig-ambitieuzere long take? “Ik wil me op een boekverfilming gaan storten, maar ik heb nog niet gekozen welk boek. Ik ben wel even klaar met het blootleggen van mijn eigen geheimen, dus het trekt me om een verhaal van iemand anders te vertellen.”