Arnaud Desplechin over Trois souvenirs de ma jeunesse

'Gekken zijn mensen die geloven dat ze bestaan'

  • Datum 01-07-2015
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Desplechin en Amalric, Cannes 2013 (foto Yves Herman/Reuters)

Trois souvenirs de ma jeunesse is de zesde samenwerking tussen de Franse erfgenaam van de Nouvelle Vague, Arnaud Desplechin, en ex-Bond slechterik Mathieu Amalric. "Als ik Mathieu iets voordoe, weet ik niet goed meer of ik nu mezelf of Mathieu of Paul Dédalus speel."

Door Sam de Wilde

De ene beweert dat het in Angers was en volgens de andere moet het in Clermont-Ferrand geweest zijn. Vaststaat dat Mathieu Amalric en Arnaud Desplechin elkaar begin jaren ’90 leerden kennen op een festival waar ze allebei een film hadden draaien. Amalric was als regisseur op het laatste moment zonder hoofdrolspeler komen te zitten en had toen maar zelf de honneurs waargenomen, zich plechtig belovend zoiets nooit opnieuw te doen. Desplechin zag het anders. Hij vond Amalric een formidabel talent en bood hem een hoofdrol aan in Comment je me suis disputé… (ma vie sexuelle) (1996). Het was, om met Bogey te spreken, the beginning of a beautiful friendship.

La sentinelle (1992), Comment je me suis disputé… (ma vie sexuelle)(1996), Rois et reine (2004), Un conte de Noël (2008), Jimmy P. (2013) en Trois souvenirs de ma jeunesse (2015). Mathieu Amalric en u, dat lijkt wel een liefdesverhaal. "Ja. Het is een hele sterke band. Ik heb een enorme bewondering voor hem en ken hem al van voor hij acteur werd. Sindsdien is hij als acteur steeds belangrijker geworden maar voor mij persoonlijk ook als filmmaker. En dan is er nog die vreemde verwarring tussen ons waarbij we zelf niet precies meer weten wie nu wie imiteert. We kennen de juiste verhouding tussen ons niet meer maar het lijkt zeker op een liefdesverhaal."

Hoe zou u hem voorstellen aan iemand die hem, en zijn werk, niet kent? "Voor mij is hij de nieuwe Mastrioanni. Die kon ook alles spelen. Mathieu heeft een viriliteit en tegelijkertijd een vrouwelijkheid, een vermogen tot incarnatie en een heel sterke fantasie. Een gedurfd en heel krachtig spel ook. Hij is heel moedig als acteur en spreekt over zichzelf als een circusartiest. Hij is een heel fysiek acteur die ervan houdt stunts te leren en lange stukken tekst in te studeren. Dat geeft mij een enorme vrijheid. Hij is een complete filmfiguur. Ik heb dat talent niet, ik kan niet acteren, maar hij is nu zelfs producent van zijn eigen films. Hij is producent, filmmaker en acteur. Een echte spektakelman."

Paul Dédalus, de hoofdfiguur uit Comment je me suis disputé… en uit Trois souvenirs wordt wel eens uw alter-ego genoemd. Denkt u dat Amalric dan ook een beetje van uw persoonlijkheid in het personage heeft gestopt? "Ik weet niet of Paul Dédalus mijn alter-ego is. Ik heb al meerdere films geschreven met mannelijke hoofdpersonages, verschillende met Mathieu, en ik herken me in elk van hen, niet méér in Paul Dédalus dan in andere. Ik herinner me dat we Comment je me suis disputé… ergens in Frankrijk toonden en dat het publiek moest lachen wanneer Mathieu aankwam omdat de film grappig is en Mathieu ook. De mensen moesten lachen met die vreemde vogel die daar zo verbaasd opdook en zeiden dat hij niet moest doen alsof hij de rol had gecreëerd maar dat hij echt zoals Paul Dédalus was. Waarop Mathieu zei dat ze zich niet moesten vergissen, dat het niet de personages zijn die ons imiteren maar dat wij de personages imiteren. Paul Dédalus is niet zoals Mathieu. Ik herinner me bijvoorbeeld dat Mathieu niet rookte voor de film maar omdat Paul Dédalus voortdurend rookt, is Mathieu ook roker geworden. Of nog een voorbeeld. Mathieu zei altijd dat Paul Dédalus dingen vertelde tegen vrouwen die leken te werken en dat hij daarom diezelfde dingen uitprobeerde in het echte leven. Waar het dan natuurlijk nooit werkte. Maar het gaat erom dat hij het personage nadoet en niet omgekeerd. En tegenwoordig vraagt Mathieu me heel vaak om iets voor te doen wanneer hij een scène niet goed begrijpt. ‘Dat is makkelijk’, zegt hij, ‘dan doe ik je gewoon na. Zoals ik voor Venus in Fur (2013) gewoon Polanski nadeed.’ Maar wanneer ik dan iets voordoe voor Mathieu weet ik niet goed meer of ik nu mezelf of Mathieu of Paul Dédalus speel. Het is een systeem van maskers en vermommingen die we uitwisselen en door de loop der jaren weten we niet meer precies wat aan wie toebehoort."

Maar u heeft Amalric dus aan het roken gebracht? "Ja, het is mijn schuld en ik ben er niet fier op. Quentin (Dolmaire, die in de film de jonge Paul Dédalus speelt) is niet-roker en die hebben we dus rooklessen moeten geven. We kochten speciale sigaretten zonder tabak en leerden hem te roken. Dat hij het moest doen zoals in de westerns vertelden we hem. Hij moest het wel leren omdat Paul Dédalus een roker is, maar gelukkig is Quentin verder niet-roker gebleven."

Hebben beide acteurs elkaar gesproken over de rol? "Eigenlijk heel weinig. Ik had daar geen zin in en ontdekte het pas toen we in Parijs promotie aan het voeren waren. Quentin zei in een interview dat hij Comment je me suis disputé… gezien had en ik dacht: ‘maar dat heb ik hem toch nooit gevraagd.’ Hij was zelfs nog niet geboren toen die film uitkwam. Het is zijn generatie niet. Hij hoeft de film niet te zien. Als ze allebei dezelfde manier van praten hebben dan komt dat omdat het zo geschreven is. Het is geen oefening in imitatie."

Dédalus is de labyrintenbouwer uit de Griekse mythologie en wie naar uw films kijkt, krijgt al snel een gevoel van aangename verwarring, van binnentreden in een doolhof. Zaait u die verwarring bewust in uw films? "Ja. Kijk, ik geloof niet dat ik op een bepaalde manier besta, maar wel dat ik ergens op probeer te lijken. Iemand die opstaat ’s ochtends lijkt nog nergens op maar doet zijn best ergens op te lijken. Dat geldt voor alle mensen. Gekken zijn mensen die geloven dat ze bestaan. Maar wat ons menselijk maakt is de moeite die we doen om onze eigen rol in te vullen. Film kan mij daar enorm bij helpen. Omdat het me toelaat veel personages te bedenken waar ik dan op probeer te lijken. Dat is ook wat ik zie in de films van Jean Renoir. La règle du jeu (1939), bijvoorbeeld. Voilà, eerst ben ik de baron en doe ik als een baron. Dan ben ik de jachtopziener en gedraag ik me zo. Maar ik sta niet op als jachtopziener. Ik werk er aan.
Wat me enorm bevalt aan Paul Dédalus, de Dédalus uit Comment je me suis disputé… is trouwens heel anders dan die uit Trois souvenirs, is dat hij zich laat veranderen door mensen. Hij staart zich niet blind op zijn identiteit maar laat zich veranderen, vooral door de vrouwen om hem heen. Het is de liefde voor anderen die hij op die manier toont die hem voor mij heel sympathiek maakt. Zijn generositeit raakt me heel erg."

U heeft het over Jean Renoir en praat ook vaak over andere filmmakers. U bent cinefiel. Maar helpt die filmbagage bij het draaien of werkt ze juist tegen? "Het is beide, echt beide. Telkens als ik begin te schrijven denk ik aan alle films die me omringen en raak ik gedeprimeerd. Het is onmogelijk om het beter te doen, denk ik dan. Maar tegelijkertijd kan ik niks op papier krijgen als ik te lang geen goede films heb gezien. Ze voeden me. Ik heb ze nodig. Het is in de filmgeschiedenis ook een natuurlijke reflex om te zeggen dat vroeger alles beter was. En vroeger was alles beter. Bergman vroeg zich af wat je nog kon toevoegen aan Dreyer. En hij had gelijk. Kijk maar naar Gertrud (1964) of Vredens Dag (1943). Het is onmogelijk een film te maken na Dreyer. En toen ik voor het eerst films van Woody Allen zag, dacht ik ‘ja, ja, maar het is toch geen Bergman.’ Later ontdekte ik dan dat Woody Allen zelf altijd zei: ‘ja, ja, maar ik ben toch geen Bergman.’ Maar je moet die houding als een dynamiek zien, niet als een verzuchting. Want hoewel film een populaire kunstvorm is, is het toch een beetje kunst en ik geloof dat het voor een schilder helpt om schilderijen te zien en dus ook dat het voor een filmmaker helpt om films te zien."

Werkt u bewust aan een oeuvre? "Nee, dat gaat echt film per film. Natuurlijk is er een beetje een autobiografisch spelletje dat ik speel maar tegelijkertijd wil ik er niet aan denken. Daarom heb ik mijn acteurs ook niet gevraagd om naar mijn films te kijken. Het zou hen teveel belemmeren. Maar ergens heb ik toch ook de ambitie om alles te doen. Toen we van de filmschool kwamen, maakten we lijstjes van films en genres die we wilden doen. Ik wou altijd een Tarzan maken of een film als La maman et la putain (Jean Eustache, 1973) maar je kan niet alles maken. Telkens ik aan een nieuwe film begin, hoop ik dat ik iets zal maken dat ik me nooit had kunnen inbeelden maar tegelijkertijd is het alsof ik een mal heb, een 15-tal maskers, 8 of 9 vermommingen en 6 à 7 accessoires waarmee ik een oneindig aantal verschillende dingen probeer te maken. Maar het zijn uiteindelijk telkens dezelfde oude kleren, dezelfde oude accessoires en dezelfde oude trucs die ik gebruik. Het zit ergens tussen de ambitie om alles te maken en de bescheidenheid om toe te geven dat je maar één ding weet te vertellen."

Wat zou voor u de ergste straf zijn: nooit meer films kunnen kijken of nooit meer films kunnen maken? "Maar dat zou echt een verschrikkelijke straf zijn! Beide zijn voor mij zo erg op elkaar gaan lijken dat ik hier moeilijk op kan antwoorden. Zonder nadenken zou ik zeggen "nooit meer films kijken". Film kijken is weliswaar essentieel in mijn leven, maar ik heb de indruk dat ik, wanneer ik een film maak, eigenlijk dezelfde activiteit uitvoer. We zien stukjes realiteit die we betekenis toekennen. We interpreteren. Een criticus interpreteert, het publiek interpreteert, een acteur interpreteert. In mijn leven is films kijken en films maken hetzelfde."