IDFA 2020: Ferenj op DocLab

VR als Vervreemdende Repressie

Ferenj

Met de overrompelende VR-ervaring Ferenj keert Ainslee Robson VR binnenstebuiten. De vernieuwende vorm volgt het onderwerp: de gevoelens van uitsluiting die ze ervaart als Ethiopisch-Amerikaan van gemengde afkomst.

Ainslee Robsons Ferenj is verreweg de beste single-user VR-ervaring op IDFA dit jaar. Hij duurt maar negen minuten, maar ik blijf er over nadenken. Vooral vanwege iets dat niet eens echt gelukt is. Namelijk: het meest immersieve visuele medium, virtual reality, gebruiken om het publiek juist buiten te sluiten.

Het is geen conceptuele Spielerei van Robson, want uitsluiting is het onderwerp van Ferenj, dat ‘buitenlander’ betekent in het Ethiopisch. Robson is van gemengde afkomst: haar moeder is Ethiopisch, haar vader Amerikaans. Ferenj is haar eerste VR, een autobiografische reflectie op haar gespleten thuisgevoel. Want waar Robson in de Verenigde Staten te maken krijgt met alledaags racisme, wordt ze in Ethiopië ‘ferenj’ genoemd. Zoals ze de ervaring prachtig verwoordt: “Ik kan niet zeggen dat ik hier vandaan kom. Maar ik kan ook niet zeggen van niet.”

Ze voelt zich vooral thuis in haar ouders’ Ethiopische restaurant in Cleveland, dat is vernoemd naar een nationaal symbool van Ethiopië, Empress Taytu. Dit noteerde ik ook in de catalogustekst die ik voor IDFA schreef. Maar had ik dat wel moeten opschrijven? Want de eerste keer dat ik Ferenj ervoer, begreep ik niet precies waar Taytu voor stond. Was het alleen het restaurant? Was het de naam van haar oma? Stond het voor thuis zijn? Voor identiteit?

Meestal leg ik in catalogusteksten (die ik vaker schrijf) en recensies belangrijke culturele achtergronden aan de lezer uit. Als je André Hazes: Zij gelooft in mij (John Appel, 1999) in China vertoont, zet je er ook bij dat Hazes een volkszanger is die populair is bij alle lagen van de bevolking. Het toevoegen van basisinformatie die een buitenlands publiek hoogstwaarschijnlijk niet bezit, is standaardpraktijk. Maar hier twijfelde ik.

Robson heeft, blijkt uit achtergrondinformatie, expres niet alles uitgelegd. Dit is haar wereld, niet de onze. Haar binnenwereld zelfs: we glijden tijdens de VR-ervaring door haar herinneringen, die door Robson zijn verbeeld met fotogrammetrische figuren.

Fotogrammetrie is een techniek die wordt gebruikt om figuren die van alle kanten zijn gefotografeerd daarna ruimtelijk in VR te plaatsen. Met de VR-camera kun je vervolgens door deze fotografische wereld bewegen, wat er ongeveer uitziet als de 3D-optie van Google Maps. Zoiets kan meestal niet in live-action VR-films, die doorgaans maar vanuit één camerastandpunt worden opgenomen (al zijn er ontwikkelingen gaande om dat te veranderen).

Maar deze techniek waarmee in VR de buitenwereld naar binnen wordt gehaald, wordt door Robson juist gebruikt om haar binnenwereld naar buiten te brengen. Door de pointclouds waaruit de fotogrammetrische figuren zijn opgebouwd te beperken, creëert ze een soort pointillistische vormen. Van een afstandje duidelijk herkenbaar, maar naarmate je dichterbij komt steeds vager, totdat je alleen nog gekleurde bolletjes ziet. Wat op een geweldige manier verbeeldt hoe herinneringen ook in werkelijkheid vervliegen als je ze probeert vast te pakken.

Toen Robson Ferenj aan het ontwikkelen was aan het Southern California Institute of Architecture (SCIArc), vroeg iemand haar op zeker moment: “Heb je je eigenlijk afgevraagd hoe jij dit werk zelf zou ervaren als je het voor het eerst zag?” Dat was een eyeopener. Want Robson was tijdens de ontwikkeling van haar project, zoals dat gaat, Ferenj voortdurend aan het uitleggen geweest aan de mensen om haar heen. En die mensen waren bijna allemaal wit. En dat was dus ook wat haar project aan het worden was: een uitleg – en dus een rechtvaardiging – van haar identiteit aan de witte buitenwereld. Terwijl Ferenj juist bedoeld was om ruimte te maken voor haar eigen perspectief, niet om opnieuw te reageren op de verwachtingen van anderen.

Die vraag zette haar op het goede pad: ze ging Ferenj maken voor iemand zoals zij. En als iemand anders zich dan buitengesloten zou voelen, omdat die niet alles zou kunnen begrijpen of verstaan – en bijvoorbeeld niet snapte naar wie of wat die Taytu nou precies verwees – jammer dan. Of beter nog dan jammer dan: dan voelden zij ook eens hoe het was om er niet bij te horen. Zoals ze zei in een interview: “Ik gebruik uitsluiting als narratief instrument. Als een kijker een verwijzing niet begrijpt, ervaart die een moment van vervreemding dat in deze context volgens mij nuttig is. Hun gedeeltelijke of gefragmenteerde toegang tot het werk spiegelt mijn ervaring van vervreemding in een wereld van culturele dissonantie.”

Het is een geniale ingeving. Net zoals je iets pas echt als plat kunt laten zien in 3D (omdat in een 2D-film een persoon en zijn foto allebei even plat blijven), kun je misschien pas in het meest immersieve medium, VR, iemand echt buitensluiten. Zoals Robson fotogrammetrie binnenstebuiten keerde om haar binnenwereld naar buiten te brengen, zet ze hier VR zelf op z’n kop. Het medium dat bij uitstek is gericht op immersie en empathie – empathische identificatie door onderdompeling in de wereld van anderen – gebruikt ze voor de ervaring van uitsluiting en vervreemding. VR als Vervreemdende Repressie: ik vind het briljant.

En toch: buitengesloten voelde ik me niet of nauwelijks. Ik denk omdat de wereld die ik zag niet de mijne was. En een toerist vindt het niet erg om niet alles te begrijpen – dat is juist deel van de charme van reizen. Daarnaast loopt Robsons benadering het risico dat de gebruiker, in plaats van zich buitengesloten te voelen, concludeert dat het de maker gewoon niet is gelukt haar boodschap duidelijk genoeg over te brengen. De ervaren afstand wordt dan geïnterpreteerd als onkunde van de verteller, bij wie dan opnieuw, net als in werkelijkheid, de verantwoordelijkheid wordt neergelegd hem te overbruggen.

Maar dat soort kanttekeningen maken Ferenj nauwelijks minder indrukwekkend: het is juist de verdienste van het werk dat het zulke machtig interessante vragen oproept over hoe je uitsluiting in VR zou kunnen ervaren. Met misschien wel als belangrijkste vraag die ene die Robson zelf op het goede spoor zette: voor wie maak je het eigenlijk?

Het is een vraag die het medium VR overstijgt. In discussies over identiteit, inclusiviteit en diversiteit hebben we het regelmatig over welke makers en onderwerpen een podium krijgen. Maar we hebben het bijna nooit over voor wie het verhaal bedoeld is – en voor wie niet. En dat betekent misschien wel: ruimte maken voor verhalen die de financier, de programmeur en ja, de journalist, zelf niet helemaal kunnen volgen. Omdat ze niet voor hen gemaakt zijn.


Ferenj is onderdeel van IDFA DocLab’s VR-programmering en te zien tot en met 29 november in de Tolhuistuin in Amsterdam en tot en met 6 december (gratis) online, voor wie thuis beschikking heeft over een geschikte VR-bril.