Eerbetoon aan Nanouk Leopold in Thessaloniki

'Misschien ben ik in het buitenland grappiger dan in Nederland'

  • Datum 13-11-2018
  • Auteur Pamela Biénzobas
  • Categorieēn Festivalverslag
  • Deel dit artikel
Foto: Thessaloniki International Film Festival

Foto: Thessaloniki International Film Festival

Het filmfestival van Thessaloniki vertoonde eerder deze maand een compleet retrospectief van het werk van Nanouk Leopold. Hoe vielen haar films aan de Middellandse Zee?

“Grappen in het Nederlands werken niet in andere talen, dus nadat ik eerst humor uitprobeerde werden mijn latere films serieuzer.” Nanouk Leopold klinkt half waarschuwend en half verontschuldigend tijdens haar introductie voor de eerste screening – met de korte films Fishy (1994) en Marseille 1-2 (1998) plus speelfilm Îles flottantes (2001) – van het retrospectief dat het Thessaloniki International Film begin november aan haar wijdde.

Hoe zou het mediterrane publiek reageren op haar scherpe blik op menselijke emoties, of dat nu in de meer openlijk humoristische vroege films is of het meer subtiele sarcasme van haar latere werk? Hoewel Leopold inmiddels een van de meest gerenommeerde filmmakers in Nederland is, is ze buiten Noord-Europa minder goed bekend. Zelfs in Frankrijk, met zijn enorme bioscoopmarkt, werd alleen Guernsey (2005) uitgebracht – ook haar enige film die het festival van Cannes haalde, in het bijprogramma Quinzaine des Réalisateurs. In Griekenland haalde geen van haar films de bioscoop en werd slechts een handvol voor dit retrospectief op festivals vertoond.

Griekse distributeurs durfden met Leopolds werk niet dezelfde risico’s te nemen als zij wel met mannelijke regisseurs deden, stelt Leda Galanou, filmcriticus bij het Griekse dagblad Efimerida ton Syntakton en co-hoofdredacteur van Flix.gr. “Wij zijn gewend aan Europese arthouse-films. Noord-Europese films doen het hier goed, en niet alleen Scandinavische thrillers. Er is een enorme markt voor Deense films. Dus hoewel ik haar films niet zou willen omschrijven als ‘van een vrouwelijke regisseur’ (maar simpelweg persoonlijke films die toevallig zijn gemaakt door een vrouw), zie ik geen andere reden waarom haar films hier niet vertoond zijn.”

Hoewel ze zich verre wil houden van de generalisaties die inherent zijn aan het onderwerp, gelooft Galanou niet dat Leopolds films specifiek Nederlands zijn. “Niet in de zin waarin we dat hier begrijpen, met een ‘existentieel religieus schuldgevoel’. Haar films zijn zwijgzaam en terughoudend, maar zeker niet kil.” Ook Leopold zelf heeft zich niet specifiek een Nederlandse filmmaker gevoeld, vertelt ze. “Ik zie mezelf als een Europese maker. Ik leerde het vak door te kijken naar vele Europese filmmakers uit de jaren zestig en zeventig. Ik wil me tot hen verhouden, en niet alleen tot mijn landgenoten.” Het bevestigt wellicht haar eerdere opmerking dat de onvertaalbaarheid van haar humor ertoe leidde dat ze de toon van haar werk herzag.

Hoe het ook zij, het lokale publiek in Griekenland reageerde nu enthousiast. “Ik zag dezelfde mensen bij meerdere screenings, en er waren veel vrouwen die me enthousiast toeknikten, zo van: ‘goed gedaan’.” Veel van haar Q&A’s kregen buiten de filmzalen een spontaan vervolg, al waren de opmerkingen en vragen min of meer hetzelfde als ze overal krijgt.

Aangezien haar films tot nu toe niet waren vertoond in Griekenland, en zij zelf het land slechts eenmaal bezocht in haar tienerjaren, wist ze vooraf niet wat ze kon verwachten. “Ik ben dol op het werk van makers als Athina Rachel Tsangari, Yannis Economides en uiteraard de ‘Lobster-man’ Yorgos Lanthimos; ik voel me als maker thuis in hun gezelschap en het is een eer. Maar ik ken het Griekse publiek niet, en heb geen idee wat zij van deze makers vinden.”

Zou de verbintenis die ze met die makers voelt kunnen liggen in een gedeeld gevoel voor humor? “Humor, zeg je dat nou?”, reageert ze verbaasd. Na enig nadenken vervolgt ze: “Ik vond Tsangari’s Chevalier enorm grappig. Meer ik sprak net een Griek die dat juist absoluut niet grappig vond…” Het is een situatie die ze herkent, realiseert ze zich: “Misschien ben ik in het buitenland grappiger dan in Nederland.”
Op zoek naar de gemene deler met de makers die ze noemde, komt ze uit op absurdisme. “Dat is in mijn films misschien minder makkelijk te herkennen, maar volgens mij is er een zekere absurditeit in hoe ik dingen in beeld breng, hoe ik ernaar kijk en het uitleg – iets ‘afwijkends’ in combinatie met ‘grappig’. Maar mensen vinden me niet echt grappig – wel als ze me ontmoeten, maar op basis van mijn films denkt iedereen dat ik een enorm zwaarmoedig, serieus persoon ben.”

Eén van de mensen die verrast werd door de humor in haar films was Yorgos Krassakopoulos, Hoofd Internationale Programmering van het TIFF. Hij wilde Leopold al langer naar het festival halen, en maakte zich geen moment zorgen over de reacties van het publiek. “Wij Grieken zijn misschien luidruchtiger en expressiever, maar we houden van films die troostelozer zijn, zeker een festivalpubliek. Bovendien: het draait om de kwaliteit van de film, en Nanouks films hebben een kracht die voelbaar is ongeacht taal of de mentaliteit van het publiek.”

Leda Galanou is een liefhebber van de uitgestreken, ingetogen toon van Leopolds films. “Ze hebben een ‘emotionele bitterheid’ die heel dicht bij de Griekse mentaliteit ligt”, lacht ze. “Het is weer een generalisatie, maar ik denk dat omdat de Griekse bevolking zo veel heeft doorgemaakt – en dan heb ik het niet alleen over de huidige economische crisis – dat ze een beetje blasé zijn geworden over het drama van het leven om ermee om te kunnen gaan. Ik denk dat Leopolds personages iets vergelijkbaars hebben.”

De in Athene woonachtige criticus verwacht dat een jonger publiek zich zal herkennen in de eenzaamheid in Leopolds films. “De meesten draaien om één personage, die wel binnen het kader van een familie wordt getoond maar daar niet echt onderdeel van is. Familie staat sowieso niet in een heel positief daglicht in haar films. De afgelopen jaren – veel later dan in veel andere landen – zijn jongeren, zowel in Griekse films als in de maatschappij, zich af gaan zetten tegen de standaard gezinsverhoudingen en zoeken ze een meer solitair en introvert leven.” Bovendien waarderen de Grieken cynisme, stelt ze. “In de kern van de films van de jongere generatie Griekse makers zit een enorm sociaal cynisme.”

Krassakopoulos beaamt dat. “We zijn extravert en gesticuleren uitbundig, maar de Grieken hebben ook een duistere kant, zeker met alles wat er nu gebeurt.” Hoe kijkt hij naar de band tussen Leopold en de recente Griekse cinema? “Ik wild die groep nieuwe makers die de afgelopen jaren is doorgebroken, van Lanthimos tot Babis Makridis en Elina Psikou, niet onder de noemer ‘Greek weird wave’ scharen, aangezien er volgens mij niets raars aan hun films is. Ik vind ze heel toegankelijk, en ze hebben een manier van verhalen vertellen en van omgaan met personages die misschien eerder ‘Noord-Europees’ genoemd kan worden. Misschien was het daarom nu het moment om Nanouks films hier te vertonen, omdat we ze beter begrijpen!”