Cannes-blog 9: Animatie

Vliegen vangen door ernaast te mikken

La fameuse invasion des ours en Sicile

De Filmkrant doet dagelijks verslag vanaf het 72e filmfestival van Cannes, waar de animatiefilm J’ai perdu mon corps gisteren de hoofdprijs won in zijprogramma Semaine de la Critique en animatie sowieso een opvallend grote aanwezigheid heeft.

Met maar liefst drie lange animatiefilms in het programma is het een rijk jaar voor de getekende cinema in Cannes – de meeste jaren mogen animatieliefhebbers in hun handen knijpen als er één film het programma haalt. Dat twee van die films het schopten tot het programma Un Certain Regard, de “tweede competitie” van het festival, is al helemaal uitzonderlijk. Voor de laatste keer dat er een animatiefilm in de hoofdcompetitie draaide, moeten we overigens terug naar 2008, toen Waltz with Bashir hier draaide; een jaar eerder had Persepolis in competitie de juryprijs gewonnen.

Het grote succes van die films staat waarschijnlijk deels aan de wieg van alle drie de films die dit jaar te zien zijn – La fameuse invasion des ours en Sicile (Lorenzo Mattotti) en Les hirondelles de Kaboul (Zabou Breitman en Eléa Gobbé-Mévellec) in Un Certain Regard en J’ai perdu mon corps (Jérémy Clapin) in zijprogramma Semaine de la Critique (alle drie worden in Nederland uitgebracht, al is nog niet bekend wanneer). Alle drie de makers vertelden ons in interviews dat ze zo’n zeven of acht jaar geleden door hun producenten werden uitgenodigd deze films te maken – die zagen destijds blijkbaar een markt voor serieuze animatiefilms voor een (deels) volwassen publiek.

De drie films samen bieden een staalkaart van de positie die animatiefilms in kunnen nemen ten opzichte van “gewoon” gefilmde films. Lorenzo Mattotti’s La fameuse invasion des ours en Sicile staat daarbij voor de meest “pure” vorm van animatie, in die zin dat deze film onmogelijk in live-action gemaakt had kunnen worden. Het sprookjesachtige verhaal, gebaseerd op het gelijknamige kinderboek van Dino Buzzati (in Nederland uitgebracht als De beroemde bereninvasie van Sicilië), draait om hoe beren en mensen ooit vreedzaam samenleefden op Sicilië, en hoe die saamhorigheid tot een einde kwam. Mattotti, een van de meest vooraanstaande striptekenaars van Europa, stileert zijn eerste speelfilm als een kinderprent: vrolijk, kleurrijk en levendig.

J’ai perdu mon corps

Iets verder op het spectrum ligt J’ai perdu mon corps van Jérémy Clapin, een kleine hype in zijprogramma Semaine de la Critique, waar hij gisteren als winnaar van de hoofdprijs uit de bus kwam. Ook deze film draait om een fantasierijk centraal gegeven – een afgehakte hand komt tot leven en zoekt zijn weg terug naar de rest van zijn lichaam. Die loslopende hand leent zich natuurlijk bij uitstek voor animatie (al kan het ook prima in live-action – Clapin verwees zelf in ons interview al naar The Thing uit de klassieke tv-serie The Addams Family). Maar het verhaal daaromheen, een tedere coming-of-age van de voormalig eigenaar van de hand, tiener Naoufel, draait om realistische menselijke figuren en blijft dicht bij onze dagelijks realiteit. Het is zoiets als wat Naoufels vader hem in de film vertelt: “Een vlieg vang je door er net naast te mikken.” Clapin vangt de realiteit door er net naast te tekenen. “Ik wil dat de kijker vergeet dat het animatie is”, vertelde hij.

Les hirondelles de Kaboul

Iets vergelijkbaars geldt Les hirondelles de Kaboul van de ervaren filmmaker Zabou Breitman en de jonge animator Eléa Gobbé-Mévellec, een aangrijpend verhaal over twee paren geliefden in de door de Taliban onderdrukte stad Kaboel. Er is niets in dit verhaal dat niet in live-action verteld had kunnen worden – sterker nog: dit was oorspronkelijk ook het plan, vertelde Breitman, die als regisseur vier “reguliere” speelfilms op haar naam heeft staan, waarvan de twee meeste recente, Je l’aimais (2009) en No et moi (2010) ook in Nederland uitkwamen. Toch is de impressionistische, waterverf-achtige stijl een van de sterkste elementen aan de film – we zien onze realiteit, maar gereduceerd tot de essentie ervan, waardoor het centrale drama zich des te sterker aftekent.

Dat roept (met dank aan collega Kees Driessen) een interessant gedachte-experiment op: welke films in de hoofdcompetitie hadden net zo goed, of misschien zelfs beter, in geanimeerde vorm gemaakt kunnen worden? De zombiekomedie van Jim Jarmusch’ openingsfilm The Dead Don’t Die is al zowat een cartoon, dat had prima gekund. De sociale satire van Bong Joon-ho’s Parasite had ook prima als anime gekund. Die voelen logisch, voorspelbaar bijna. Spannender is het te dromen over wat er zou gebeuren als de broers Dardenne hun wat middelmatige nieuwe film Le jeune Ahmed in getekende vorm hadden opgeleverd. Een “essentialisering” van de wereld van de jonge, radicaliserende moslim Ahmed had de allegorische aspecten van het verhaal benadrukt. Die vervliegt nu juist in het voor de Dardennes vertrouwde realisme, waarin je echter (voor het eerst in hun carrière) voelt dat ze er net niet in zijn geslaagd om echt door te dringen tot de essentie van de wereld die zij portretteren.