World Wide Angle #76
Wie is er nou niet gefotografeerd?
Australische filmcriticus Adrian Martin kijkt naar opvallende discussies en tendensen rond filmmakers.
Door Adrian Martin

Flink wat jaren geleden sprak Peter Greenaway in een interview — dit was voor hij begon te roepen dat film in de jaren 60 of 70 gestorven was en dat hij de enige was die het weer tot leven kon brengen — over een project gebaseerd op een thema dat, in die tijd, nieuw en intrigerend klonk. Wie, van alle mensen die op dat moment in onze wereld leefden, is er gefotografeerd?
In die tijd dachten we nog dat veel van ons, ook in de westerse wereld, soepel door het leven konden gaan zonder ooit (of zelden) gefotografeerd te worden. Greenaway wilde een slinkse, documentaire hommage maken aan die behoedzame zielen die de demonische vloek van de cameralens hadden weten te vermijden.
Tegenwoordig behoort dat idee van een mediavrij bestaan definitief tot de 20e eeuw. Tussen de alomtegenwoordige social media ‘selfies’ en surveillance camera’s — om het nog maar niet te hebben over het sinistere apparaat van de ‘biopolitiek’ die op de een of andere manier, vrijwillig of onvrijwillig, de meest intieme fysieke informatie van ons vastlegt — kunnen we ons moeilijk mensen voor de geest halen die nooit gefotografeerd zijn. Zelfs al gaat het alleen maar om de afgelopen week.
Maar gek genoeg lijken we dat prima te vinden. Wat Jean-Louis Comolli ooit omschreef als een algemene, sociale ‘rage van het zichtbare’ — wat een ondergangsprofeet als Jean Baudrillard ertoe bracht een woord als ‘obsceen’ te gebruiken, verwijzend naar een wereld waarin niets meer verborgen is, waar alles aan het oppervlak ligt – voelt tegenwoordig comfortabel. We zijn door het kijkglas van Guy Debords spektakelmaatschappij gegaan en ontdekten dat we, ondanks alles, nog steeds functionerende alledaagse menselijke wezens zijn. Alleen, de opmaak van alledag is wel veranderd.
Nieuwe technologieën creëren nieuwe technologische fantasieën. In het digitale tijdperk zijn we ten prooi gevallen aan wat Thomas Elsaesser recent identificeerde (tijdens het Orphan Film Symposium in Amsterdam) als een soort ‘archief-onrust’: iets bestaat pas echt in het collectieve geheugen als er ergens in een of ander archief een spoor van is te vinden. En dus, denken we, is het noodzakelijk dat alles en iedereen gefotografeerd moet worden. En niet alleen gefotografeerd, maar vastgelegd, opgeslagen en gedocumenteerd. Zelfs enigszins griezelige surveillancemiddelen als Google Earth vinden we aantrekkelijk, als surreële bestanden die mechanisch en magisch tegelijk zijn, en open staan voor de onzichtbare hand van kans of toeval.
Die gedeelde rage begon geleidelijk, in de tijd van Oliver Stone en z’n JFK in 1991, die Bilge Ebiri onlangs, terugkijkend, een ‘scheppingsmythe voor de jaren zestig’ noemde, dat wil zeggen, de poging om enorme symbolische betekenis toe te kennen aan een eenmalige gebeurtenis (de moord op Kennedy), alsof de sleutel tot de contemporaine Amerikaanse geschiedenis daar gevonden kan en moet worden. En het JFK-verhaal, zoals we allemaal weten, is nauw verbonden met die waardevolle strips amateurfilm die toevallig een fragment van de waarheid vingen (van welke waarheid weten we nog steeds niet) — zowel de Zapruderfilm en zijn ’tegenshot’, de Orville Nix footage, die recent weer in het nieuws kwam dankzij de onderzoekende kleindochter van de fotograaf.
Dat verband tussen familie, generaties en onderzoek is intrigerend. Elsaesser heeft het over de curieuze fantasie in Sarah Polleys Stories We Tell (2012) — waarin het mysterie over wat de overleden moeder van de filmmaker deed, voelde en verlangde, getransformeerd wordt naar een audiovisuele reconstructie van de ‘sporen’ die deze vrouw, in werkelijkheid, nooit echt heeft nagelaten.
Voor mij vult een nog vreemdere manifestatie van die archieffantasie de Girl with a Dragon Tattoo serie in al z’n mediaverschijningsvormen. Hier is de droom dat een verborgen samenzweringsmisdaad van veertig jaar terug volledig ‘opgegraven’ kan worden, dankzij oude mensen die hun foto’s bewaren, professionele fotografen die hun contactprints preserveren, en zelfs sinistere corporaties die hun bestanden perfect georganiseerd houden in opslagfaciliteiten.
Het is weer een andere ontstaansmythe: om onze 21e-eeuwse ‘extase van het zichtbare’ te laten werken, moet iedereen in de jaren zestig zich intuïtief al gerealiseerd hebben om nooit iets weg te gooien. Archiefkoorts…