Niet te filmen: Verloren paradijs

  • Datum 04-07-2013
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Illustratie Peter Pontiac

Weinig filmproducties overleven de dood van de regisseur. Maar Queleh moest en zou doorgaan, als ode aan de verdronken Somalische cineast Abdi Ismael Jama. Eenmaal in Somaliland bleek Queleh alsnog niet te filmen te zijn. "We hebben de invloed van de clan-cultuur onderschat."

Door Mark van den Tempel

Op 24 februari 2009 wordt uit het water van de Jacob van Lennepkade te Amsterdam het lichaam van een onbekende man gevist. Twee dagen later kan Het Parool melden dat het om een Nederlandse filmmaker van Somalische afkomst gaat. Abdi Jama verdween zes weken eerder na een avondje stappen. De politie vermoedt geen kwaad opzet: waarschijnlijk is Jama in beschonken toestand in de gracht terechtgekomen, en deed het ijskoude water — het vroor die nacht vijftien graden — de rest.
Een wrange speling van het lot was dat de filmproductie waar Jama zo lang voor had geknokt, groen licht kreeg toen hij op de bodem van de Van Lennepkade lag. Scenarist Roelof Jan Minneboo: "We hadden een afspraak op het Filmfestival Rotterdam met de beoogde Canadese en Franse producenten, en daar moesten we toen zeggen dat Abdi verdwenen was. Dat was een heel dramatische twist in een verhaal dat al zo vol zat met tegenslagen en vreemde wendingen."

Duistere kanten
Abdi Ismael Jama vlucht eind jaren tachtig vanuit de hoorn van Afrika naar Nederland. Als Somaliër krijgt hij politiek asiel, en hij doorloopt de Filmacademie. Eenmaal afgestudeerd weet hij wat hem te doen staat: een speelfilm maken op basis van zijn eigen ervaringen als kindvluchteling. Samen met scenarist Heleen Suèr bezoekt hij zijn geboortedorp in Somaliland, de nooit officieel erkende, afgescheiden republiek in het noorden van Somalië. Het is Suèr die het project overdraagt aan Roelof Jan Minneboo, die Jama op een terrasje had ontmoet. "Ik zag aan zijn eindexamenfilm dat hij geen verhalenverteller in de klassieke zin van het woord was. Hij studeerde af als documentairemaker, maar zijn film was eigenlijk meer video art. Visueel heel sterk."
Queleh moet het verhaal vertellen van een jonge boerenzoon uit Somaliland die door de burgeroorlog versneld volwassen wordt. Minneboo: "Je kunt het nog het beste vergelijken met Oorlogswinter. Een kind dat door verraad zijn vader kwijt raakt, op zoek gaat naar de waarheid en er dan achter komt dat vechten geen optie is, maar weggaan wel."
Gaandeweg hun samenwerking leert Minneboo zijn creatieve partner beter kennen. Een charmante en begeesterde persoonlijkheid, maar ook iemand met duistere kanten. Een vriendin die niets meer met hem te maken wil hebben. Een drankprobleem. Minneboo ontdekt dat Abdi’s eigen vluchtverhaal rammelt, en dat zijn drijfveren niet zuiver artistiek zijn. "Abdi was een volstrekte romanticus. Ik vroeg hem wat hij wilde gaan doen na Queleh, en daar had hij helemaal niet over nagedacht. Dit was het. Terug naar zijn land als succesvol filmmaker, om de investeringen van zijn familie om hem naar Europa te krijgen terug te betalen. Dat was niet de realiteit, en daar kwam hij gaandeweg het proces ook wel achter."
De filmmaker is ervan overtuigd dat Queleh hem een rijk man zal maken. Dat zijn regisseursloon een stuk lager uitpakt, is een pijnlijke ontdekking. Ernstiger is het gebrek aan vertrouwen van het Filmfonds. Pas als een Frans fonds flink investeert, komt het Nederlands Filmfonds over de brug. Om vervolgens de realiseringsbijdrage af te wijzen. Producenten komen en gaan, maar Minneboo heeft zich inmiddels in het project vastgebeten. Werkbezoeken aan Somaliland overtuigen hem van de potentie van het plan.
Door Abdi’s onverwachte dood lijkt alle moeite voor niets, maar Minneboo wil niet opgeven. In de persoon van oorspronkelijk cameraman Abraham Haile Biru wordt een nieuwe regisseur gevonden. Michiel de Rooij van Flinck Film is al snel net zo bezeten van het project als Minneboo. Als de realiseringsbijdrage van het Filmfonds alsnog over de brug komt, kan Queleh in de herfst van 2010 dan toch gemaakt worden.

Idiote geldeisen
Wie met Roelof Jan Minneboo praat, proeft een onvoorwaardelijke liefde voor Afrika. Hij beschikt over een grote kennis van zaken, en wordt lyrisch als hij Somaliland beschrijft. Een groene oase te midden van woestijngebieden, met hartelijke mensen en een gematigde islam. Maar ook een land, ferm in de greep van oppermachtige, eeuwenoude clans. Vanaf het moment dat de crew neerstrijkt in de hoofdstad Hargeisa, laat de clan-cultuur zich gelden. Abdi had bedongen dat zijn halfbroer Fakte een van de producenten zou zijn. "Ik vertrouwde hem niet. Heel simpele dingen als het inschrijven bij de Kamer van Koophandel kostte plotseling het tienvoudige. Toen al hadden we moeten ingrijpen, want als dat vertrouwen er niet is heb je een probleem."
Minneboo benoemt vervolgens een tussenpersoon. "Op de begrafenis van Abdi had ik Kayse ontmoet, een Haarlemse zakenman van Somalische komaf. Hij werd de production manager, en dat zette veel kwaad bloed bij de familie. Toen kwamen er de meest idiote geldeisen." De prijzen voor huurauto’s worden verdubbeld, een medewerker vraagt loonsverhoging omdat hij zoveel pennen gebruikt. Leden van Abdi’s familie krijgen baantjes maar leveren er geen prestaties voor. En de clan eist 57.000 euro, anders zullen ze er alles aan doen om het filmen onmogelijk te maken. Naarmate de spanningen toenemen, kiest de Ethiopische regisseur de kant van de clan.
Minneboo erkent dat de productie de invloed van de clan-cultuur heeft onderschat. "De clan is je herkomst, dat heet qabiil. Als je iemand dood rijdt lost je clan dat op. Volgens veel observators is het de pest van de Somalische samenleving. Dat zeggen veel Somaliërs zelf ook hoor: qabiil is het gif, daar moeten we van af." De overheid is niet in staat om de veiligheid te garanderen. Op de avond dat er een crisisoverleg is bij de minister van Informatie, wordt Kayse op het terrein van het ministerie aangevallen. Dan beseffen de producenten dat de veiligheid van cast en crew op het spel staat. Ze moeten stoppen, vijf uur vóór de eerste draaidag. Michiel de Rooij kan ternauwernood per vrachtwagen de apparatuur het land uitkrijgen.
Wijsheid achteraf leert Roelof Jan Minneboo dat er meer energie in het bewerken van de familie had moeten worden gestoken. "De familie heeft heel erg veel spijt. Dit heeft alleen maar pijn gedaan; niemand is er beter van geworden. Abdi zat in een totale spagaat, dat was een kenmerk van zijn hele leven. Het werd van hem verwacht dat hij veel geld mee terug zou brengen. Dat is mislukt. De bedoeling is dat je uit Afrika vertrekt, en er succesvol terugkeert. Dat was wat men van Abdi verwachtte. En dan komt er een soort hippie rasta uit Nederland terug."